Conclusie
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
subonderdeel 1.4 [11] dat het hof een onjuist dan wel onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven “met zijn oordeel dat het in eerste aanleg gevoerde maar verworpen verweer ambtshalve dient te worden beoordeeld, dus zonder dat de geïntimeerde ( [verweerster] ) daartoe (voorwaardelijk) incidenteel dient te appelleren, dan wel zonder dat de appellant ( [eiser] ) in de gelegenheid wordt gesteld om (bij akte of, zoals in deze zaak, op de comparitie) te reageren op het gehandhaafde verweer.”
subonderdeel 1.6in ieder geval een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven door tijdens een comparitie (waarop partijen kennelijk niet in de gelegenheid zijn gesteld om aan de hand van pleitnotities een juridisch betoog te houden) geen enkele (uit het proces-verbaal van de comparitie kenbare) aandacht te besteden aan het verweer om vervolgens de zaak primair op dit ‘geschilpunt’ af te doen.
onderdeel III. Dit onderdeel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.8 over de aannemelijkheid van de schade, welk oordeel, in de bewoordingen van het hof, “ten overvloede” is gegeven.
subonderdeel 3.3blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 3.4– samengevat – geklaagd dat het oordeel van het hof dat er in het geheel geen sprake is van schade onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. In het subonderdeel wordt opgemerkt dat het hof met zijn oordeel in wezen van [eiser] heeft verlangd aannemelijk te maken wat [verweerster] (gelet op haar zorgplicht) wel had behoren te doen en in welke situatie [eiser] alsdan had verkeerd. Dat kan volgens het subonderdeel van een particulier die een professionele aanbieder van financiële producten schending van de op haar rustende bijzondere zorgplicht verwijt redelijkerwijs niet worden gevergd.
mogelijkheidvan schade onvoldoende aannemelijk is geworden (en daarom dus geen verwijzing naar de schadestaatprocedure volgt). Dat gebeurt als respons op een verzoek tot verwijzing. De precieze formulering van het hier bedoelde oordeel hangt derhalve mede af van de vordering waar dat oordeel een antwoord op is. (…)
subonderdeel 3.5opgemerkt dat de rechter, alvorens enig oordeel uit te spreken over de stellingen betreffende schadefactoren en de omvang van de schade, partijen in de gelegenheid dient te stellen zich daaromtrent uit te laten. Eiser hoeft dan, aldus het subonderdeel, niet meer te doen dan het bestaan van zijn schade aannemelijk te maken, en is in beginsel niet gehouden in te gaan op alle stellingen van verweerder waarin de schade op onderdelen wordt betwist. De rechter kan dan ook niet zonder de partij daarop te laten reageren, oordelen dat de vordering wordt afgewezen, omdat eiser niet alle stellingen van verweerder heeft weersproken.
subonderdeel 3.6wordt betoogd dat [eiser] , gelet op het procesverloop en hetgeen door hem werd gevorderd, er gerechtvaardigd van uit mocht gaan dat hij enkel het bestaan van zijn schade aannemelijk hoefde te maken.
subonderdeel 3.7[eiser] middels een bewijsopdracht in de gelegenheid moeten stellen om de schade aannemelijk te maken. Het is volgens het subonderdeel dan ook in dat licht onbegrijpelijk dat het hof de vordering heeft afgewezen op de grond dat [eiser] de schade niet aannemelijk heeft gemaakt, en [verweerster] stellingen onvoldoende heeft weersproken. Voor zover het hof heeft gemeend dat het na het debat op de comparitie van partijen een eindarrest kon wijzen, waarin het de vordering tot schadevergoeding op de in rov. 4.8 gehanteerde grond afwees, heeft het hof hiermee volgens het subonderdeel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven.
subonderdeel 3.8– kort gezegd – betoogd dat het oordeel van het hof dat [eiser] in het geheel geen schade heeft geleden, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk is nu [eiser] onder meer vergoeding heeft gevorderd van buitengerechtelijke kosten [24] .