ECLI:NL:HR:2019:1300

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 september 2019
Publicatiedatum
6 september 2019
Zaaknummer
17/03238
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 225.1 SrArt. 420ter SrArt. 69 AWR
Verwijzingen
11 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in BTW-fraudezaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak over BTW-fraude door fictieve leveringen aan afnemers in Spanje en Italië. De verdachte werd onder meer veroordeeld voor medeplegen van vals opmaken van facturen en vervoersbescheiden, gewoontewitwassen, en deelname aan een criminele organisatie.

De Hoge Raad beoordeelde meerdere middelen van cassatie, waaronder de vraag of de verdediging voldoende gelegenheid had gekregen om getuigenverklaringen te betwisten, het verweer van niet-ontvankelijkheid wegens eerdere fiscale boete in Italië, en bewijsklachten. Deze middelen werden verworpen zonder nadere motivering, omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

Wel werd het middel gegrond verklaard dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 21 maanden naar 19 maanden.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 10 september 2019.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de gevangenisstraf van 21 naar 19 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/03238
Datum10 september 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 21 juni 2017, nummer 21/005173-12, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben N. van Schaik en S.D. Groen, beiden advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf.
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde, het vierde, het vijfde en het zesde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het zevende middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 21 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negentien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 september 2019.