ECLI:NL:HR:2019:1439

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2019
Publicatiedatum
25 september 2019
Zaaknummer
19/00151
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Invorderingswet 1990Art. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen invorderingsrente bij ontzenuwing ontvangst aanslag

In deze zaak ging het om de vraag of invorderingsrente terecht was opgelegd aan belanghebbende na een te late betaling van een belastingaanslag 2014. Belanghebbende ontkende de ontvangst van de aanslag en stelde dat hij pas via een betalingsherinnering op de hoogte was gesteld. Het hof oordeelde dat de ontvanger aannemelijk had gemaakt dat de aanslag naar het juiste adres was verzonden, waardoor ontvangst werd vermoed. Belanghebbende ontzenuwde dit vermoeden echter door te verklaren dat hij tot dan toe alle aanslagen tijdig had betaald en voldoende liquide middelen had. Vervolgens lag de bewijslast bij de ontvanger om aan te tonen dat de aanslag toch was ontvangen of dat het niet ontvangen aan belanghebbende te wijten was, wat niet lukte.

Het middel in cassatie stelde dat het hof had moeten onderzoeken of belanghebbende via zijn accountant tijdig van de aanslag op de hoogte was, maar de Hoge Raad verwierp dit. De Hoge Raad bevestigde dat het oordeel van het hof rechtens juist was en dat de rechter niet verplicht is een eigen onderzoek in te stellen naar aanvullende feiten. Het arrest van 15 december 2006 werd als leidraad genomen, waarin is bepaald dat voor het opleggen van invorderingsrente geldt dat de aanslag moet zijn ontvangen, tenzij het niet ontvangen aan de belastingplichtige te wijten is.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op. Het arrest bevestigt de bewijslastverdeling en het belang van het ontzenuwen van het ontvangstvermoeden bij invorderingsrente.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat invorderingsrente niet terecht is opgelegd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/00151
Datum11 oktober 2019
ARREST
In de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 november 2018, nr. 17/00395, op het hoger beroep van de Ontvanger tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/2946) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake invorderingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van het middel

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Met dagtekening 12 juni 2015 is aan belanghebbende voor het jaar 2014 een tweede voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: de aanslag). De Inspecteur heeft omstreeks die datum aan de accountant van belanghebbende een digitale kopie van de aanslag doen toekomen.
2.1.2
Met dagtekening 26 januari 2016 heeft de Ontvanger aan belanghebbende een herinnering gestuurd, met het verzoek de aanslag uiterlijk op 4 februari 2016 te betalen. Belanghebbende heeft de aanslag voldaan op 3 februari 2016.
2.1.3
De Ontvanger heeft bij beschikking met dagtekening 12 februari 2016 invorderingsrente tot een bedrag van € 541 bij belanghebbende in rekening gebracht. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of die invorderingsrente terecht bij belanghebbende in rekening is gebracht.
2.2.2
Het Hof heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416 (hierna: het arrest van 15 december 2006), als volgt overwogen. De Ontvanger heeft aannemelijk gemaakt dat de aanslag naar het juiste adres van belanghebbende is verzonden. Ontvangst van de aanslag wordt daarmee vermoed. Belanghebbende stelt echter dat hij voor het eerst met de ontvangst van de betalingsherinnering bekend is geraakt met de aanslag. Hij heeft het vermoeden van ontvangst ontzenuwd. Hierbij is van belang dat belanghebbende onweersproken heeft verklaard dat hij tot dan toe alle belastingaanslagen tijdig heeft betaald en dat er voldoende liquide middelen aanwezig waren om de aanslag te voldoen. Het ligt vervolgens op de weg van de Ontvanger om bewijs te leveren dat de aanslag belanghebbende toch heeft bereikt, dan wel dat het niet ontvangen het gevolg is van aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheden. De Ontvanger heeft dat bewijs niet geleverd, aldus het Hof.
2.3
Het middel bestrijdt niet het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel, maar betoogt dat het Hof heeft verzuimd om na te gaan of belanghebbende anderszins van de aanslag op de hoogte is geraakt. Een verwijzingshof dient te onderzoeken of belanghebbende tijdig via zijn accountant kennis heeft kunnen nemen van de aanslag en de daarvoor geldende betaaltermijn. Indien dat het geval is, is terecht invorderingsrente in rekening gebracht, aldus het middel.
2.4.1
Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. In artikel 28, lid 1, Invorderingswet 1990 is bepaald dat, bij overschrijding van de voor de belastingaanslag geldende betalingstermijn, aan de belastingschuldige invorderingsrente in rekening wordt gebracht.
In het door het Hof aangehaalde arrest van 15 december 2006, rechtsoverweging 3.2.1, is geoordeeld dat voor het opleggen van een verzuimboete geen plaats is als een aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden en de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt. Dit is alleen anders als het niet ontvangen van die aanmaning het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden. Hetzelfde heeft te gelden voor het verschuldigd worden van invorderingsrente als bedoeld in artikel 28, lid 1, Invorderingswet 1990 (vgl. HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5917, en HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4156).
2.4.2
Het oordeel van het Hof komt erop neer dat voor het in rekening brengen van invorderingsrente in dit geval geen plaats is, omdat belanghebbende erin is geslaagd het vermoeden van ontvangst van de aanslag te ontzenuwen en de Ontvanger er vervolgens niet in is geslaagd feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de aanslag de belastingschuldige toch heeft bereikt dan wel dat het niet ontvangen het gevolg is van aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het behoefde geen nadere motivering. Anders dan het middel voorstaat, is de rechter niet gehouden een eigen onderzoek in te stellen naar de door de Ontvanger in dit verband gestelde en aannemelijk te maken feiten. Het middel faalt.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2019.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 519.