In deze zaak ging het om de vraag of invorderingsrente terecht was opgelegd aan belanghebbende na een te late betaling van een belastingaanslag 2014. Belanghebbende ontkende de ontvangst van de aanslag en stelde dat hij pas via een betalingsherinnering op de hoogte was gesteld. Het hof oordeelde dat de ontvanger aannemelijk had gemaakt dat de aanslag naar het juiste adres was verzonden, waardoor ontvangst werd vermoed. Belanghebbende ontzenuwde dit vermoeden echter door te verklaren dat hij tot dan toe alle aanslagen tijdig had betaald en voldoende liquide middelen had. Vervolgens lag de bewijslast bij de ontvanger om aan te tonen dat de aanslag toch was ontvangen of dat het niet ontvangen aan belanghebbende te wijten was, wat niet lukte.
Het middel in cassatie stelde dat het hof had moeten onderzoeken of belanghebbende via zijn accountant tijdig van de aanslag op de hoogte was, maar de Hoge Raad verwierp dit. De Hoge Raad bevestigde dat het oordeel van het hof rechtens juist was en dat de rechter niet verplicht is een eigen onderzoek in te stellen naar aanvullende feiten. Het arrest van 15 december 2006 werd als leidraad genomen, waarin is bepaald dat voor het opleggen van invorderingsrente geldt dat de aanslag moet zijn ontvangen, tenzij het niet ontvangen aan de belastingplichtige te wijten is.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op. Het arrest bevestigt de bewijslastverdeling en het belang van het ontzenuwen van het ontvangstvermoeden bij invorderingsrente.