De zaak betreft een geschil over de vraag of de vrouw na beëindiging van de gezamenlijke huishouding aanspraak kan maken op het Kindergeld dat aan de man in Duitsland is uitgekeerd. De vrouw had bij verstek een vordering ingesteld die werd toegewezen, waarna de man tijdig verzet instelde.
De Hoge Raad verwijst voor het procesverloop naar eerdere arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en een eerder arrest in dit incident. De klachten van de vrouw in cassatie zijn inhoudelijk beoordeeld maar leiden niet tot cassatie, mede omdat er geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt, inclusief de kosten van het incident. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer.