Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof dat hem schuldig acht aan mensenhandel met betrekking tot een minderjarige prostituee. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte de minderjarige heeft vervoerd, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting, en dat hij opzettelijk voordeel heeft getrokken uit haar seksuele handelingen tegen betaling.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie over de uitleg van het bestanddeel 'oogmerk van uitbuiting' in art. 273f Sr en bevestigt dat dit begrip niet beperkt is tot situaties van dwang of onderwerping, maar ook zonder die elementen strafbaar is. De bewezenverklaring van het hof is gebaseerd op verklaringen van verdachte en slachtoffer, chatberichten, telefoongesprekken en internetadvertenties, waaruit blijkt dat verdachte de minderjarige actief heeft gefaciliteerd en geprofiteerd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en dat het oordeel toereikend is gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.