ECLI:NL:HR:2019:1573
Hoge Raad
- Cassatie
- G. de Groot
- J.A.C.A. Overgaauw
- M.A. Fierstra
- J. Wortel
- A.F.M.Q. Beukers-van Dooren
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belangenafweging bij bewijslevering in waardering onroerende zaken
Belanghebbende was eigenaar van een kantoorgebouw bestaande uit vier onroerende zaken waarvan de waarde per 1 januari 2014 was vastgesteld. Na verkoop van deze onroerende zaken in november 2015 ontstond discussie over de waardeontwikkeling tussen de peildatum en de verkoopdatum.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende alsnog bewijs mocht leveren over deze waardeontwikkeling na de zitting. De Hoge Raad oordeelde eerder dat het gerechtshof Den Haag onvoldoende had gemotiveerd waarom het bewijs niet mocht worden toegelaten.
Na verwijzing heeft het Gerechtshof Amsterdam een belangenafweging gemaakt tussen het belang van belanghebbende om bewijs te leveren en het belang van een doelmatige procesgang. Het hof concludeerde dat belanghebbende in redelijkheid rekening had moeten houden met het belang van het verkoopcijfer en dat het bewijs niet tijdig was overgelegd.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof deze belangenafweging terecht heeft gemaakt en verklaart het cassatieberoep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het vonnis van het gerechtshof blijft in stand.