Conclusie
1.Inleiding
‘Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken alsnog over te leggen, zal het gerechtshof een afweging moeten maken tussen enerzijds het belang bij het overleggen van die stukken en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang. Bij die afweging spelen de redenen waarom de stukken niet reeds aan de rechtbank werden overgelegd een rol.’Bij bevestigende beantwoording zijn voorts de WOZ-waarden nog in geschil.
2.De feiten en het procesverloop
voorzitterhoudt de taxateur [van de heffingsambtenaar] voor dat hij in het taxatierapport is uitgegaan van een dalende markt (8 percent voor kantoren in [Q] ) tussen de waardepeildatum en de verkoopdatum en vraagt waarop dat percentage is gebaseerd.
voorzitterhoudt de gemachtigde van belanghebbende voor dat de heffingsambtenaar zegt dat de waarde van de onroerende zaken op de waardepeildatum 8 percent hoger was dan op het moment dat de onroerende zaken werden verkocht. U zegt dat het andersom is, dat de waarde lager was dan op de waardepeildatum.
voorzitterhoudt de gemachtigde van belanghebbende voor dat het voor een bewijsaanbod te laat is. De betekenis van het eigen verkoopcijfer en de waardeontwikkeling tussen de waardepeildatum en de verkoopdatum waren al in eerste aanleg in geschil. Belanghebbende heeft alle gelegenheid gehad voor het onderbouwen van het eigen standpunt en van de bestrijding van de door de heffingsambtenaar ingenomen standpunt. Dan kan belanghebbende niet pas ter zitting van het Hof met een bewijsaanbod komen.
3.Het geding in cassatie
4.Over de afwijzing van een ter zitting gedaan bewijsaanbod als tardief
Belastingblad: ‘Het hof zal moeten beoordelen of het bewijs alsnog overgelegd mag worden. Ik vermoed dat dit het geval zal zijn. Het is niet heel tijdrovend om dit te overleggen en vervolgens de heffingsambtenaar hierop te laten reageren, terwijl het bewijs gaat over het kernpunt van het geschil tussen partijen’. [31] Bij de hofuitspraak van het Verwijzingshof heeft Noordegraaf in
Belastingbladvervolgens geannoteerd: ‘Voor de door het hof gemaakte afweging daartoe valt wat te zeggen, maar waar het hof mijns inziens wat gemakkelijk aan voorbij gaat is dat het in eerste instantie aan de heffingsambtenaar is om aannemelijk te maken dat de prijsdaling tussen de waardepeildatum en de datum van het eigen verkoopcijfer 8% was. Belanghebbende kan volstaan met een betwisting hiervan en heeft dat ook gedaan. Dan hoefde belanghebbende er redelijkerwijs ook geen rekening mee te houden dat zij haar betwisting met nadere stukken moest onderbouwen.’ [32]
waaromeen ter zitting aangeboden bewijs niet eerder is overgelegd. Ik vind dit niet iets voor scherpslijperij. Als gezegd vind ik een zekere verlenging van de procedure door alsnog de gelegenheid te bieden tot bewijslevering niet gauw een zwaarwegend belang. Fiscale procedures plegen toch al vrij lang te duren en het komt veelvuldig voor dat partijen uitstel vragen voor proceshandelingen.
5.Beoordeling van het middel
‘Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken alsnog over te leggen, zal het gerechtshof een afweging moeten maken tussen enerzijds het belang bij het overleggen van die stukken en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang. Bij die afweging spelen de redenen waarom de stukken niet reeds aan de rechtbank werden overgelegd een rol.’ [35] Het Verwijzingshof diende derhalve een nadere, goed gemotiveerde, afweging te maken tussen (i) enerzijds het belang bij het overleggen van bepaalde stukken en (ii) anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang. Daarbij diende het Verwijzingshof in ogenschouw te nemen waarom de stukken niet reeds aan de Rechtbank werden overgelegd.
‘Voor het Hof ligt in essentie de vraag voor of belanghebbende zich terecht op het standpunt stelt dat zij er in redelijkheid geen rekening mee hoefde te houden dat het eigen verkoopcijfer van de onroerende zaak tijdens de procedure in hoger beroep alsnog een relevant gegeven zou kunnen zijn voor de vast te stellen waarde.’ [37]
‘Redenen op grond waarvan zij daartoe in die fase van de rechtsstrijd niet in staat zou zijn geweest, zijn niet gesteld of aannemelijk geworden.’ [38]