ECLI:NL:HR:2019:1594
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht erfgenaam op WOZ-beschikking na overlijden erflater
In deze zaak stond centraal of belanghebbende, als erfgenaam van een overleden erflater, recht heeft op een WOZ-beschikking op haar eigen naam voor het jaar 2012. De erflater was in 2012 overleden en de executeur had namens de erven bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking op naam van de erflater. Dit bezwaar werd echter niet aangevochten in beroep.
Belanghebbende verzocht vervolgens om een WOZ-beschikking op haar naam volgens artikel 26 Wet Pro WOZ, maar dit werd geweigerd. Het Hof oordeelde dat belanghebbende geen recht had op een nieuwe beschikking omdat het bezwaar namens alle erven was ingediend en de executeur had berust in de uitspraak op bezwaar.
De Hoge Raad stelde echter vast dat artikel 26 Wet Pro WOZ ook de situatie omvat waarin een erfgenaam door erfopvolging medegerechtigd is tot de onroerende zaken en dat deze erfgenaam recht heeft op een beschikking op haar naam. De executeur vertegenwoordigt de erven voor het beheer van de nalatenschap, maar niet zonder meer voor belastingheffing die betrekking heeft op de erfgenaam persoonlijk. Daarom is het recht van belanghebbende op een eigen WOZ-beschikking niet uitgesloten door het bezwaar van de executeur.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraken van het Hof en de Rechtbank voor zover zij betrekking hadden op het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 26 Wet Pro WOZ en droeg de heffingsambtenaar op alsnog de gevraagde beschikking te geven. Tevens werden de proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: Belanghebbende heeft recht op een WOZ-beschikking op haar naam volgens artikel 26 Wet WOZ en de heffingsambtenaar wordt opgedragen deze te verstrekken.