Conclusie
1.Overzicht van de zaak en de conclusie
art. 28(1) Wet WOZ. Die bepaling voorziet erin dat degene (i) die belang heeft bij de WOZ-waarde van een onroerende zaak en (ii) aan wie niet eerder een WOZ-beschikking ter zake is toegezonden (non-toezendingsvereiste), aanspraak kan maken op een ‘eigen’ WOZ-beschikking (
medebelanghebbendebeschikking). De voorliggende
rechtsvraagis of de omstandigheid dat een WOZ-beschikking is genomen ten aanzien van ‘de erven’, eraan in de weg staat dat een erfgenaam een ‘eigen’ medebelanghebbendebeschikking krijgt.
verschillend beantwoorden. Hof Den Haag heeft de vraag in deze zaak bevestigend beantwoord, evenals in een eerdere uitspraak. De
hofstedelijke opvattingis er in de kern op gebaseerd dat aan het non-toezendingsvereiste niet is voldaan, indien reeds een WOZ-beschikking ten name van de erven is genomen, aangezien een erfgenaam dan de mogelijkheid heeft om tezamen met de andere erven rechtsmiddelen aan te wenden tegen die WOZ-beschikking. Daartegenover staat de
hoofdstedelijke opvatting. Hof Amsterdam heeft de vraag ontkennend beantwoord. Een op naam van ‘de erven’ gestelde WOZ-beschikking kan niet geacht worden aan de individuele erfgenaam te zijn toegezonden.
Onderdeel 4behandelt mede aan de hand van de wetsgeschiedenis de achtergrond van art. 28(1) Wet WOZ. Dit onderdeel bevat ook een korte opiniërende zijstap in verband met het arrest HR BNB 2020/66. Ik meen dat de in dat arrest gegeven uitleg aan het begrip ‘toezending van de beschikking’ in het kader van art. 24(3) Wet WOZ, niet leidend is voor de toepassing van art. 28(1) Wet WOZ, hoewel dit laatste artikel aansluit bij toezending van de WOZ-beschikking op de voet van art. 24(3) Wet WOZ (4.14-4.15).
onderdeel 5onderzoek ik of een erfgenaam
zelfin bezwaar en beroep kan opkomen tegen een WOZ-beschikking die is gericht tot de erven, en zo ja wat de betekenis daarvan is voor de toepassing van art. 28 Wet Pro WOZ. Ik kom tot de bevinding (i) dat zo’n erfgenaam dankzij art. 26a(2) AWR op eigen naam in bezwaar en beroep kan tegen zo’n WOZ-beschikking, maar dat die mogelijkheid – gelet op HR BNB 2015/202 – niet in de weg staat aan het recht op een medebelanghebbendebeschikking (5.1-5.12), en (ii) dat los van art. 26a(2) AWR een erfgenaam geen rechtsmiddelen kan aanwenden zonder medewerking van de andere erven (5.13-5.20).
onderdeel 7volgt mijn beschouwing, die erin uitmondt dat ik mij schaar achter de hoofdstedelijke opvatting. Kern is dat een WOZ-beschikking ten name van de erven als uitgangspunt – gelet op de tekst van art. 28(1) Wet WOZ – niet kan gelden als te zijn ‘toegezonden’ aan een erfgenaam voor de toepassing van het non-toezendingsvereiste (7.5) en dat dit niet anders wordt doordat de erfgenaam samen met de andere erven in bezwaar en beroep kan tegen die WOZ-beschikking. De omstandigheid dat medewerking van de andere erven nodig is, pleit er juist voor dat een erfgenaam aanspraak moet kunnen maken op een medebelanghebbendebeschikking (7.9).
Ten overvloedega ik nog in op de vraag of het wel anders wordt indien eerder wel rechtsmiddelen zijn aangewend tegen de WOZbeschikking ten name van de erven. Ik sta een ontkennend antwoord voor in het geval de erven als zodanig die rechtsmiddelen hebben aangewend (7.12). In het geval de erfgenaam op eigen naam – op grond van art. 26a(2) AWR – rechtsmiddelen heeft aangewend, meen ik daarentegen dat er goede redenen zijn om de vraag bevestigend te beantwoorden (conform de opvatting van Hof Amsterdam) (7.15-7.18). Het aanknopingspunt voor een daartoe strekkende uitleg van art. 28(1) Wet WOZ is gelegen in (de strekking van) het non-toezendingsvereiste.
Het cassatieberoepis naar mijn mening
gegrond.
2.De feiten en het oordeel van het Hof
De feiten
3.Het geding in cassatie
nietworden aangemerkt als een toezending in het kader van het non-toezendingsvereiste van in art. 28(1) Wet WOZ. Positief geformuleerd: van een toezending van de WOZ-beschikking in dat kader kan slechts sprake zijn indien het gaat om een ‘eigen’ WOZ-beschikking. Een ruimere uitleg in lijn van HR BNB 2020/66 zou niet overeenkomen met het – uit onder meer de in 4.4-4.6 geciteerde wetsgeschiedenis blijkende – doel van art. 28 Wet Pro WOZ om, kort gezegd, alsnog een gelijke mogelijkheid van bezwaar en beroep te openen voor degene die niet een ‘eigen’ WOZ-beschikking heeft gekregen. Er zijn bovendien specifieke passages in de wetsgeschiedenis waaruit blijkt dat de regering bij ‘toezending’ in het kader van (in elk geval) het non-toezendingsvereiste voor ogen heeft gehad dat niet eerder een ‘eigen’ WOZ-beschikking is toegezonden. Zie de passage “voor belanghebbenden die geen afschrift hebben gekregen van een mede
jegens hen genomenbeslissing tot vaststelling van de waarde” in het citaat opgenomen in 4.6. Ook de passage “de persoon,
op wiens naamde beschikking wordt gesteld en aan wie het afschrift van de beschikking wordt toegezonden” in het citaat opgenomen in 4.5 duidt daar (
a contrario) op. Ik wijs verder nog op de passage “een ander dan
op wiens naamde waardevaststellingsbeschikking is gesteld” en de passage “dat de WOZ-beschikking niet
te zijnen name is gesteld” in de citaten opgenomen in 4.10 onderscheidenlijk 4.13. Kortom, naar mijn mening is aan het non-toezendingsvereiste voldaan indien aan de verzoeker van een medebelanghebbendebeschikking niet eerder een
op zijn naam gesteldeWOZ-beschikking is genomen.
zelfin bezwaar en beroep kan opkomen tegen de WOZ-beschikking die is gericht tot de erven (dus: zonder medewerking van de andere erven) en, zo ja, wat de betekenis daarvan is voor de toepassing van art. 28 Wet Pro WOZ.
5.Een rechtsingang voor de erfgenaam tegen de WOZ-beschikking van de erven?
Een rechtsingang via art. 26a(2) AWR?
hineininterpretierenzou zijn. Wat ervan zij, de tekst van het non-toezendingsvereiste (“aan wie niet (…) de beschikking ter zake is toegezonden”) biedt naar mijn mening geen steun voor de opvatting dat niet aan de eis is voldaan om de reden dat de belanghebbende op grond van art. 26a(2) AWR rechtsmiddelen had kunnen aanwenden tegen een WOZ-beschikking die
aan een anderis toegezonden.
weldankzij art. 26a(2) AWR zelf in bezwaar en beroep kan tegen een WOZ-beschikking, ook nog eens zelf in bezwaar en beroep kan tegen de waardevaststelling dankzij art. 28(1) Wet WOZ. Dit arrest betreft een WOZ-beschikking van de echtgenoot die ziet op de onverdeelde helft van de echtgenote (in de eigendom) van een onroerende zaak. Het valt dan ook niet in te zien dat het anders zou zijn voor een WOZ-beschikking van de erven die eveneens ziet op de onverdeelde helft van een erfgenaam (in de eigendom) van een onroerende zaak, zoals in dit geval. Een volgende vraag is of de erfgenaam zelf in bezwaar en beroep kan opkomen tegen de WOZ- beschikking die is gericht tot de erven,
losvan art. 26a(2) AWR.
buitenrechte. [42] Wat daarvan verder zij, art. 30(1) Wet WOZ verklaart het artikellid überhaupt niet van overeenkomstige toepassing voor de waardevaststelling volgens deze wet. [43]
inrechte als die welke art. 44(1) AWR treft voor vertegenwoordiging buiten rechte. De Warb is ingetrokken op die datum als gevolg van de herziening van het fiscale procesrecht. [44] De nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel tot intrekking van de Warb zet uiteen dat en waarom de regering geen aanleiding heeft gezien een regeling te handhaven als die welke is vervat in art. 2(4) Warb: [45]
hoofdstedelijkeopvatting is – kort en goed – dat een erfgenaam wél recht heeft op een medebelanghebbendebeschikking want de WOZ-beschikking is niet aan hem maar aan de erven gericht en de erfgenaam kan niet zonder medewerking van de erven in rechte opkomen tegen die WOZbeschikking. Daarentegen is de
hofstedelijkeopvatting dat een erfgenaam niet recht heeft daarop want hij kan met medewerking van de erven in rechte opkomen tegen WOZ-beschikking gericht tot de erven. Ik geef hierna eerst de hoofdstedelijke opvatting (zie 6.2-6.9) en daarna de hofstedelijke opvatting (zie 6.13-6.14) weer. Mijn beschouwing volgt in het volgende onderdeel.
de ervenstaat, waartoe hij wel degelijk behoort.”
7.Beschouwing
mogelijkheidvan bezwaar van de
ervenal voldoende is om aan een erfgenaam een medebelanghebbendebeschikking te onthouden.
tenzijde erfgenaam een rechtsmiddel op grond van art. 26a(2) AWR heeft aangewend tegen die beschikking.