Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.Beoordeling van het derde middel
5.Beoordeling van de middelen voor het overige
6.Beslissing
5 november 2019.
Hoge Raad
De verdachte hield op 11 oktober 2015 tijdens een PEGIDA-demonstratie een toespraak waarin zij moslims beledigend toesprak wegens hun godsdienst. Het hof verklaarde deze uitlating als groepsbelediging ex art. 137c Sr bewezen en oordeelde dat de strafrechtelijke veroordeling een toegelaten beperking van de vrijheid van meningsuiting vormde op grond van art. 10 EVRM Pro.
De Hoge Raad bevestigt dat de uitlating beledigend was en gericht op moslims als groep vanwege hun godsdienst, en dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven. Wel oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de beperking van de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk en proportioneel was, doordat de context en bijdrage aan het maatschappelijk debat onvoldoende zijn toegelicht.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de groepsbelediging betreft en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde beoordeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens onvoldoende motivering van beperking vrijheid van meningsuiting en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.