Conclusie
Nummer22/03539
Inleiding
De zaak
Het eerste middel
eerste deelklachtheeft betrekking op het bewezenverklaarde “een groep mensen”. De klacht houdt in dat het oordeel van het hof, dat de uiting van verzoeker onmiskenbaar is gericht op de leden van het Joodse volk, onbegrijpelijk en/of in het licht van hetgeen hieromtrent ter zitting is aangevoerd niet toereikend gemotiveerd zou zijn.
tweede deelklachtwordt het kennelijke oordeel van het hof bestreden dat de uitlating op zichzelf en bezien in samenhang met de uitlating in haar geheel als beledigend moet worden aangemerkt. De
derde deelklachtis gericht tegen het oordeel van het hof dat de bestreden de afbeelding van een kakkerlak de associatie oproept met de ‘historische achtergrond’ van de Holocaust die het hof in zijn arrest noemt.
gerichtis op een groep mensen die zich onderscheidt van anderen wegens hun ras, gaat het in de tweede en derde deelklacht om het oordeel dat de uitlating beledigend is voor die groep mensen
wegenshun ras.
vierde deelklachtis vervolgens gericht tegen het oordeel dat de uitlating geen bijdrage kan leveren aan enig maatschappelijk debat en de
vijfde deelklachttegen het oordeel dat de uitlating niet kan worden aangemerkt als een artistieke expressie. Deze twee deelklachten staan aldus beide in de sleutel van de tweede stap uit het driestappenkader.
zesde deelklachtheeft betrekking op de bewijsvoering van het opzet. Meer concreet wordt geklaagd over het oordeel dat de kans aanmerkelijk is dat de uitlating van de verdachte zou worden begrepen als “leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken”. Dit oordeel zou volgens de steller van het middel getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn. Geklaagd wordt niet over het oordeel dat de verdachte zich van die kans bewust was en deze heeft aanvaard.
een groep mensen” heeft de Hoge Raad in het arrest van 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655, op welk arrest door de steller van het middel een beroep wordt gedaan en in welke zaak het ging om belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst, bepaald dat hiervoor vereist wordt
beledigend” is sprake van bestendige jurisprudentie. De kern hiervan wordt gevormd door wat wel wordt aangeduid als de “driestappentoets”. In onder meer het arrest van 16 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3583) is dit als volgt verwoord:
opzettelijk” geldt ten slotte nog het volgende. Onder opzet wordt in de context van art. 137c Sr voorwaardelijk opzet begrepen: de verdachte moet dus willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zijn uitlating beledigend zou zijn voor een groep. [13] Bekend is dat het antwoord op de vraag vanaf wanneer een kans “aanmerkelijk” is in de zin van het juridische begrip opzet, zich niet in een percentage laat uitdrukken; het moet gaan om een “geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans” c.q. een “in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.” [14]
debate of general interestis (onder 15, p. 4);
,waarin ik overigens geen overwegingen over de artistieke expressie aantref.
aanmerkelijkheeft geacht dat de afbeelding zou worden geïnterpreteerd in de wel strafbare zin. Daarnaast wordt - onder verwijzing naar de bovengenoemde opvattingen van de gehoorde deskundigen (3.26) - aangevoerd dat de motivering van het hof in dat licht tekortschiet.
eerste deelklacht. Voor de vraag of een afbeelding ‘onmiskenbaar’ betrekking heeft op een bepaalde groep mensen als vereist voor groepsbelediging in de zin van art. 137c Sr, moet gekeken worden naar de afbeelding in haar geheel. De vraag of een onderdeel van die afbeelding of juist een hieruit verwijderd onderdeel, (tevens) een symbool is van iets anders - zoals een religie of een land - is dus niet zonder meer beslissend. Hieruit volgt dat voor zover de klacht berust op de stelling dat de betekenis van de davidster als zodanig “niet eenduidig” is en reeds hierom bij het manipuleren en/of vervangen van de davidster geen sprake kan zijn van een uitlating die “onmiskenbaar” betrekking heeft op een groep mensen in de hiervoor bedoelde zin, de klacht moet falen.
tweede en de derde deelklacht. Voor zover aan deze klachten de opvatting ten grondslag ligt dat de uitlating niet beledigend kan zijn omdat zij gericht was tegen het land Israël en niet tegen het Joodse volk, falen de klachten om de redenen hiervoor in het kader van de eerste deelklacht genoemd. Voor het overige geldt het volgende. Dat de boodschap “de leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken” beledigend is, kon het hof mede baseren op het feit dat kakkerlakken in het algemeen - zo lijkt mij een feit van algemene bekendheid - als ongedierte worden gezien en op de donkere historische context van de Holocaust waar het hof in zijn uitspraak naar verwijst. Het is algemeen bekend dat genocide vaak vooraf- en gepaard gaat met processen van desidentificatie en dat het vergelijken van bepaalde bevolkingsgroepen met ongedierte - en dan in het bijzonder ook vaak kakkerlakken - hierbij een telkens terugkerend fenomeen is. [18] Deze historische beladenheid heeft het hof betrokken bij het als grievend beoordelen van de uitlating en dat acht ik geenszins onbegrijpelijk. Dit oordeel heeft het hof ook toereikend gemotiveerd.
vierde deelklachtmerk ik om te beginnen het volgende op. Aan de klacht ligt de opvatting ten grondslag dat de uitlating moet worden aangemerkt als een bijdrage aan een ‘debate of general interest’ - te weten het debat waarin kritiek wordt geuit op Israël, in die zin dat de staat en/of het “regiem” van Israël met een kakkerlak zou worden vergeleken. Zo begrepen zou het oordeel van het oordeel van het hof dat de uitlating geen bijdrage kan leveren aan enig maatschappelijk debat onbegrijpelijk zijn. Het hof heeft de uitlating evenwel begrepen als “de leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken”. Dat die boodschap geen bijdrage aan enig publiek debat kan opleveren lijkt mij evident.
vijfde deelklacht, is gelet op het feit dat bij het gerechtshof ter zake niets is aangevoerd (zie hiervoor onder 3.25) en in het licht van wat in cassatie tegen het oordeel wordt ingebracht (zie onder 3.29) geenszins onbegrijpelijk.
laatste deelklacht. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte het voorwaardelijke opzet had dat de door hem getoonde afbeelding “zou worden begrepen als ‘leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken’” en dat de verdachte zich aldus “schuldig [heeft] gemaakt aan voorwaardelijk opzettelijke groepsbelediging” (zie hiervoor onder 3.3, laatste alinea). Dit oordeel heeft het hof kort gezegd gebaseerd op het hiervoor al meermaals genoemde uiterlijk van de afbeelding en de omstandigheden waaronder hij deze toonde.
Het tweede middel
debate of general interest”. Het tweede cassatiemiddel berust ook grotendeels op deze interpretatie van de afbeelding. Het hof is evenwel van een andere interpretatie uitgegaan (te weten “de leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken”). De vraag of het hof deze interpretatie aan de uitlating kon verbinden, is hiervoor in het kader van het eerste middel reeds onder ogen gezien. Nu ik aldaar heb beargumenteerd dat en waarom die vraag naar het mij voorkomt bevestigend moet worden beantwoord, komt aan het tweede middel in essentie de grondslag te ontvallen. In aanvulling daarop nog het volgende.
necessity-test’(onder 66, p. 23), overtuigt mij evenmin. Het hof heeft in de hierboven weergegeven overweging geoordeeld dat het beperken van de vrijheid van meningsuiting van de verdachte “noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de eer en goede naam van Joodse mensen” en aldus geoordeeld dat de ‘
necessity-test’wordt gehaald. Van compensatie door een lage straf is dus geen sprake. Dat het hof in aanvulling daarop en dus ten overvloede gewag heeft gemaakt van de relatief lage straf die aan de verdachte is opgelegd, maakt dit niet anders. Het hof heeft daarmee slechts tot uitdrukking gebracht dat het strafrechtelijk ingrijpen in de onderhavige zaak niet dusdanig is geweest dat daarvan een “
chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. Dat heeft het hof bij zijn afweging of een inbreuk op art. 10 en Pro/of 11 EVRM in dit geval toelaatbaar was, kunnen en mogen betrekken. [22] Dat het hof in die zin betekenis heeft toegekend aan de relatief lage straf acht ik overigens ook niet onbegrijpelijk.