Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit hennepteelt.
De betrokkene stelde dat de toerekening van het w.v.v. onvoldoende was gemotiveerd, aangezien het hof het totaalbedrag pondspondsgewijs over drie in plaats van vier personen had verdeeld. De Hoge Raad oordeelde dat dit middel niet tot cassatie kon leiden en bevestigde de toerekening.
Wel stelde de betrokkene dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden in de cassatiefase, omdat stukken te laat waren ingezonden en het arrest meer dan twee jaar na het instellen van het beroep werd gewezen. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond en besloot daarom de betalingsverplichting te verminderen van € 235.461,- naar € 230.461,-.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot € 230.461,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.