Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
19 november 2019.
Hoge Raad
Op 16 juli 2016 stak de verdachte tijdens een gewelddadige confrontatie op een verjaardagsfeestje meerdere malen het slachtoffer met een mes in het bovenlichaam en been. Het hof verwierp het beroep op noodweer omdat het steken met een mes niet in redelijke verhouding zou staan tot de aanranding, die bestond uit slaan met blote handen of vuisten.
De verdediging stelde dat het slachtoffer de verdachte ook bij de keel had vastgepakt en vasthield tijdens de vechtpartij, wat het hof niet in zijn beoordeling had betrokken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het beroep op noodweer werd verworpen, met name door het niet meenemen van deze feiten.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het beroep op noodweer en de strafzaak. Het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het beroep op noodweer.