ECLI:NL:HR:2019:188

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2019
Publicatiedatum
7 februari 2019
Zaaknummer
18/00136
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wet op de omzetbelasting 1968Wet op de loonbelasting 1964
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen verrekening loonbelasting inhouding kapitaalverzekering met inkomstenbelasting

Belanghebbende sloot bij een verzekeraar een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule af met een einddatum in 2012. Op die datum bedroeg het verzekerd kapitaal €65.345. In 2015 keerde de verzekeraar dit bedrag uit, waarbij €33.979 werd ingehouden als loonbelasting en premie volksverzekeringen, zonder dat dit bedrag aan de Belastingdienst werd afgedragen.

Belanghebbende deed voor 2013 aangifte inkomstenbelasting met een negatief belastbaar inkomen en vermeldde de ingehouden loonbelasting niet. De Inspecteur stelde een fictieve afkoop van lijfrente vast en legde een aanslag op op basis van een belastbaar inkomen van €63.228.

Het geschil betrof de vraag of belanghebbende het ingehouden bedrag van €33.979 kon verrekenen met de verschuldigde inkomstenbelasting. Het hof wees dit af, omdat de inhouding niet in 2013 had plaatsgevonden en de verzekeraar het bedrag niet had afgedragen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de inhouding loonbelasting door de verzekeraar niet kan worden verrekend met de inkomstenbelasting over 2013.

Uitspraak

8 februari 2019
Nr. 18/00136
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 28 november 2017, nr. 17/00399, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/4915) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 8 november 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1267).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de klacht

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft bij [A] N.V. (hierna: [A]) een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule afgesloten met als ingangsdatum 29 december 1989 en als einddatum 29 december 2012. Op de einddatum beliep het verzekerd kapitaal € 65.345. Belanghebbende heeft voor dat bedrag geen lijfrente aangekocht. In 2015 heeft [A] aan belanghebbende bericht dat het bedrag van € 65.345 zou worden uitgekeerd onder inhouding van € 33.979 loonbelasting en premie volksverzekeringen. [A] heeft ter zake niets afgedragen aan de Belastingdienst.
2.1.2.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 2.117. Belanghebbende heeft in zijn aangifte geen ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen vermeld.
2.1.3.
De Inspecteur heeft als belastbaar inkomen uit werk en woning aangemerkt een fictieve afkoop van lijfrente van € 65.345. Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.228.
2.2.
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende het bedrag van € 33.979 dat door [A] met de uitkering van het verzekerde kapitaal is verrekend onder vermelding van “Loonbelasting en premies volksverzekeringen”, kan verrekenen met de verschuldigde IB/PVV voor het jaar 2013. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende op die verrekening geen recht heeft.
2.3.
Tegen de hiervoor in 2.2 vermelde oordelen is de klacht gericht. De klacht voert aan dat het Hof heeft miskend dat indien inhouding loonbelasting is vermeld in een opgaaf zoals [A] die stuurde, alleen al op grond daarvan die loonbelasting moet worden afgedragen zoals dat ook geldt bij de vermelding van omzetbelasting, en voor de inkomstenbelasting als ingehouden loonheffing moet worden aangemerkt.
2.4.
De klacht ziet er aan voorbij dat een bepaling als artikel 37 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 niet is opgenomen in de Wet op de loonbelasting 1964. Het bedrag dat belanghebbende als ingehouden loonheffing wil verrekenen, is in 2015 door [A] achtergehouden bij de uitbetaling aan belanghebbende van het verzekerde bedrag. Zo al sprake is van ingehouden loonheffing, is die loonheffing niet ingehouden ter zake van de fictieve uitkering in 2013 en daarom niet in 2013 als voorheffing verrekenbaar. Op grond van het voorgaande kan de klacht niet tot cassatie leiden.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2019.