Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
Wij houden belasting in bij gereserveerde lijfrenteverzekeringen van het nieuwe regime
artikel 44a van de Invorderingswet 1990. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken van de Inspecteur en tot verrekening van toonheffing van € 33.979 met de aanslag in de IB/VV 2013.
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving en parlementaire geschiedenis
Wetgeving
BNB1981/305 en HR
BNB1981/306 heeft de Hoge Raad geoordeeld wat onder “inhouding” van loonbelasting moet worden verstaan en ingeval niet is ingehouden onder welke voorwaarden toch verrekening van loonbelasting met inkomstenbelasting kan plaatsvinden: [4]
BNB1985/149 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een inhoudingsplichtige niet reeds aan zijn verplichting tot inhouding heeft voldaan door op een loonbetaling een bedrag gelijk aan de af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen in mindering te brengen, doch dat daarvoor tevens nodig is dat zulks geschiedt met het oogmerk het in mindering gebrachte bedrag als belasting en premies af te dragen: [5]
Wet LB 1964 aanspraken zijn die de werkgever dekt: [9]
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieis ter zake van artikel 11, lid 1, onderdeel a, sub 5, UB LB 1965 geschreven: [13]
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieis ter zake van artikel 3.133, lid 2, onderdeel d, Wet IB 2001 geschreven: [14]
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieis ter zake van artikel 3.133, lid 3, Wet IB 2001 geschreven: [15]
Inmiddels is met ingang van 2010 dit standpunt in de wet opgenomen in art. 3.133, lid 3. Alleen zijn de termijnen aangepast. In het nieuw ingevoerde derde lid is een redelijke wettelijke termijn opgenomen.
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieis ter zake van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, lid 6, Invoeringswet Wet Inkomstenbelasting 2001 geschreven: [17]
5.Behandelingen van de klachten
Ten geleide
31 december 2013 omgezet in een andere toegestane lijfrente. Voorts zijn op deze datum de lijfrentetermijnen nog niet vastgesteld.
Artikel 3.133, lid 2, onderdeel d, Wet IB 2001 is van toepassing op de afkoop van een aanspraak. Daarmee zou de fictieve afkoop onder artikel 3.133, lid 2, onderdeel d, Wet IB 2001 kunnen vallen (waarop artikel 34, lid 1, onderdeel c, Wet LB 1964 en artikel 11, lid 1, onderdeel a, sub 5, UB LB 1965 van toepassing zijn).
BNB1981/305 [36] en HR
BNB1981/306 [37] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat “met de aanslag in de inkomstenbelasting wordt verrekend de geheven loonbelasting. [38] (…) ingevolge artikel 27, lid 1, [39] in verbinding met artikel 1 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964 [40] loonbelasting van de werknemer wordt geheven door inhouding op het loon”. Voorts heeft de Hoge Raad in deze arresten geoordeeld “dat onder ,,inhouding'' in dit verband moet worden verstaan het van een bepaald overeengekomen bruto-bedrag van het loon afzonderen van de later op aangifte af te dragen loonbelasting”.
BNB1985/149 [41] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ”een inhoudingsplichtige niet reeds aan zijn verplichting tot inhouding [heeft] voldaan door op een loonbetaling een bedrag gelijk aan de af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen in mindering te brengen, doch dat daarvoor tevens nodig is dat zulks geschiedt met het oogmerk het in mindering gebrachte bedrag als belasting en premies af te dragen”. [42]
BNB1981/305, HR
BNB1981/306 en HR
BNB1985/149 kunnen belanghebbende niet baten.