Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
3 december 2019.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor gewoontewitwassen over de periode 2010-2014, waarbij sprake was van wederrechtelijk verkregen voordeel uit strafbare feiten, met name drugshandel. Tegen het arrest van het hof werd cassatieberoep ingesteld door de betrokkene, vertegenwoordigd door advocaten.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de middelen niet tot cassatie konden leiden. Er was geen aanleiding tot nadere motivering, aangezien de aangevoerde middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de strafkamer van de Hoge Raad, waarbij het beroep werd verworpen. Hiermee bleef het oordeel van het hof in stand dat toepassing van artikel 36e, tweede of derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud en nieuw) passend was voor de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Den Haag wordt bevestigd.