Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 36e lid 3 Sr, nu op de (in de hoofdzaak) bewezenverklaarde feiten niet de voor die toepassing vereiste geldboete van de vijfde categorie is gesteld.
1:
1:
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
1. Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegeven Pro verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
Het is verboden een wapen van categorie I te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan.
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van devierde categoriewordt gestraft hij die handelt in strijd met de artikelen 9, eerste lid, 13, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, of 31, eerste lid.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De ontnemingszaak
ter zake van – onder meer – het op 19 juni 2014 opzettelijk aanwezig hebben van 2.092,24 gram van een materiaal bevattende hennep en 4,85 gram hasjiesj” een veroordeling voor een feit als bedoeld in artikel 36e lid 3 Sr op.
Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf datnaar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, maar daaraan bovendien – in de bewezenverklaring en de daarop gegronde kwalificatie – toe te voegen dat dat feit betrekking had op een grote hoeveelheid van een middel. De hoeveelheid van de bij de betrokkene aangetroffen hennepproducten overschrijdt de in artikel 1 lid 2 van Pro het Opiumwetbesluit genoemde grenswaarde van 500 gram immers ruimschoots; reden waarom een geldboete van de vijfde categorie ingevolge artikel 11 lid 5 Opiumwet Pro wél opgelegd had kunnen worden. Het voert mijns inziens echter te ver om aan te nemen dat het hof in de strafzaak bedoeld heeft het opzettelijk aanwezig hebben van een
grote hoeveelheidvan een middel bewezen te verklaren. Noch de bewezenverklaring, noch de daaraan verbonden kwalificatie geven daartoe aanleiding. Evenmin kan worden gesteld dat ‘grote hoeveelheid’ kennelijk abusievelijk uit de tenlastelegging is weggestreept, nu de tenlastelegging een zodanige zinsnede niet bevatte. Slechts de – overigens vrij algemeen geformuleerde – strafmotivering in combinatie met de hoogte van de hoeveelheid zelf zouden aanleiding kunnen vormen om daarover anders te denken. Dat lijkt mij onvoldoende. [1]