Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:189

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2019
Publicatiedatum
7 februari 2019
Zaaknummer
17/03827
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a Wet LB 1964Art. 19b lid 1 letter c Wet LB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt heffing pensioeninkomen ondanks niet-uitkering eerste jaartermijn

Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een BV, had recht op een jaarlijkse pensioenaanspraak van €57.327 vanaf 1 mei 2013. In dat jaar keerde de BV echter geen pensioen uit en vermeldde belanghebbende dit ook niet in zijn belastingaangifte. De Belastingdienst nam een bedrag van €38.218 (8/12 van het jaarbedrag) als inkomen uit werk en woning mee in de aanslag.

Het Hof Den Haag oordeelde dat belanghebbende de pensioenaanspraak had prijsgegeven door geen actie te ondernemen toen de BV niet betaalde, en dat het pensioenbedrag in 2013 vorderbaar en inbaar was, waardoor het als inkomen moest worden belast. Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte had aangenomen dat sprake was van prijsgeven en dat het pensioenbedrag was verminderd.

De Hoge Raad verwierp deze middelen. Het enkel stilzitten van belanghebbende is onvoldoende voor prijsgeven, maar het Hof had terecht geoordeeld dat het pensioen in 2013 vorderbaar en inbaar was. De mogelijkheid van een eenzijdige verlaging door de BV deed hieraan niet af, omdat uit de stukken bleek dat deze verlaging zich in 2013 niet had voorgedaan.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee de belastingaanslag over 2013. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de heffing van pensioeninkomen over 2013.

Uitspraak

8 februari 2019
Nr. 17/03827
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 27 juni 2017, nr. BK-17/00009, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 16/1245) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 30 oktober 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1214).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van [A] B.V. (hierna: de BV). De BV heeft aan belanghebbende een pensioenaanspraak toegekend op grond waarvan belanghebbende recht kreeg op een uitkering door de BV van € 57.327 bruto per jaar met ingang van 1 mei 2013.
2.1.2.
De BV heeft in 2013 geen pensioen aan belanghebbende uitgekeerd. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor 2013 geen pensioen(uitkering) van de BV vermeld.
2.1.3.
De Inspecteur heeft bij de bestreden aanslag een pensioenbedrag van € 38.218 (8/12 x € 57.327) in aanmerking genomen als inkomen uit werk en woning.
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of het bedrag van € 38.218 terecht tot het inkomen uit werk en woning is gerekend. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat belanghebbende de aanspraak op pensioen in 2013 heeft prijsgegeven als bedoeld in artikel 19b, lid 1, letter c, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) zodat de gehele aanspraak in het jaar 2013 had moeten worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Het Hof heeft geoordeeld dat de gehele pensioenaanspraak in 2013 vorderbaar en inbaar was en heeft anders dan belanghebbende niet van belang geacht dat de BV de pensioenaanspraak eenzijdig kon verlagen.
2.2.2.
Tegen het in 2.2.1 vermelde oordeel van het Hof richt zich het middel. Het eerste middelonderdeel betoogt dat het Hof ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat de BV de toegezegde rechten heeft herzien en het pensioenbedrag waarop belanghebbende jaarlijks recht had, heeft verminderd tot € 8.573. Het tweede middelonderdeel betoogt dat het Hof op onbegrijpelijke gronden heeft geconcludeerd dat belanghebbende de pensioenaanspraak heeft prijsgegeven, omdat belanghebbende geen handeling heeft verricht die als prijsgeven kan worden aangemerkt.
2.3.1.
Het Hof heeft de enkele omstandigheid dat belanghebbende geen actie heeft ondernomen toen de BV de in 2013 verschuldigde pensioentermijnen van het in dat jaar ingegane pensioen niet had betaald, voldoende geacht voor het oordeel dat belanghebbende de hele aanspraak had prijsgegeven. Daarbij heeft het Hof miskend dat dit enkele stilzitten van belanghebbende onvoldoende is om aan te nemen dat belanghebbende de aanspraak op pensioen heeft prijsgegeven.
2.3.2.
Hetgeen in 2.3.1 is overwogen kan echter niet tot cassatie leiden. In hetgeen het Hof heeft geoordeeld ligt besloten dat de over 2013 verschuldigde pensioentermijnen in dat jaar vorderbaar en inbaar waren. Die pensioentermijnen zijn daarom terecht in dat jaar in de heffing van IB/PVV betrokken. De mogelijkheid voor de BV om de pensioenaanspraak eenzijdig te verlagen doet daaraan niet af, reeds omdat uit de stukken niet anders kan worden afgeleid dan dat een dergelijke verlaging zich in 2013 niet heeft voorgedaan.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2019.