Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
8. Herziening
Stcrt.2013, 8018.
3.Het geding in cassatie
4.Prijsgeven van een stamrechtaanspraak
Wetgeving
BNB2002/263 ging over de vraag of het de bedoeling van de wetgever is geweest, om in afwijking van de letterlijke tekst van artikel 11c, lid 1, onderdeel c, Wet LB 1964 [25] en artikel 36 Wet Pro LB 1964, ook het prijsgeven van pensioenaanspraken jegens een verzekeraar die niet in Nederland is gevestigd of de pensioenverplichting niet tot het binnenlandse ondernemingsvermogen, te treffen met de sanctie van artikel 11, lid 1, Wet LB 1964. De Hoge Raad heeft deze vraag ontkennend beantwoord: [26]
BNB2013/83 was aan de orde of een belastingplichtige met een gedeeltelijke afkoop van de saldolijfrente in wezen ook de andere aanspraken (gedeeltelijk) heeft afgekocht: [27]
Vetover de kronkel van artikel 19b Wet LB 1964 geschreven: [48]
Pensioen en andere toekomstvoorzieningenis over de antimisbruikbepaling bij het afzien van pensioenrechten geschreven: [60]
5.Uitstap naar de kwijtscheldingsvrijstelling van artikel 3.13 Wet IB 2001
Wettekst
het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers[onderstreping A-G], voorzover de voordelen de som van het verlies uit werk en woning dat overigens mocht zijn geleden en de volgens afdeling 3.13 te verrekenen verliezen uit het verleden overtreffen; met prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten wordt gelijkgesteld het niet afdwingbaar worden van een vordering ingevolge artikel 358 van Pro de Faillissementswet;
BNB1978/5 overwogen dat ook als een ander dan de schuldeiser kwijting verleent, sprake kan zijn van prijsgeven van rechten door schuldenaars: [62]
BNB1992/392 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat geen sprake is van het prijsgeven bij het teloorgaan van rechten door het verbindend worden van een uitdelingslijst aangezien de schuldeisers door het faillissement hun rechten verloren zien gaan: [63]
BNB1995/219 geoordeeld dat de eis dat de kwijtschelding betrekking dient te hebben op niet voor verwezenlijking vatbare rechten, inhoudt dat een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur op grond van de ten tijde van de kwijtschelding bestaande feiten en omstandigheden tot het oordeel moest komen dat pogingen tot inning of verhaal vruchteloos zouden blijven of tot naar maatschappelijke opvattingen onaanvaardbare gevolgen zouden leiden: [64]
BNB2002/46 heeft de Hoge Raad overwogen dat het oordeel dat van prijsgeven alleen sprake kan zijn indien uitdrukkelijk is kwijtgescholden, berust op een onjuiste, te beperkte opvatting van prijsgeven: [65]
6.Behandeling van de klachten
Inleiding
BNB2002/263 wordt tot een oneigenlijke, niet tot de normale uitvoering van een pensioenregeling behorende, handeling het prijsgeven van pensioenaanspraken gerekend. [84] De oneigenlijke handeling waarop de sanctie staat is het prijsgeven van pensioenaanspraken. Daarmee is nog niet gezegd dat een belastingplichtige daadwerkelijk een actieve handeling moet hebben verricht waaruit het prijsgeven blijkt. [85]
BNB2002/46 overwogen dat het Hof ten onrechte ervan uit is gegaan dat daarvan slechts sprake kan zijn indien uitdrukkelijk wordt kwijtgescholden berust op een onjuiste te beperkte opvatting van het begrip prijsgeven. [93]