Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
10 december 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) in een ontnemingsvordering centraal, waarbij de betrokkene stelde dat de vordering niet tijdig was ingediend binnen de tweejaarstermijn zoals bedoeld in artikel 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De feiten betroffen een eerste ontnemingsvordering die op 6 december 2010 werd ingediend, binnen de wettelijke termijn van twee jaren na het vonnis in de hoofdzaak van 5 februari 2009. De rechtbank verklaarde zich echter onbevoegd om kennis te nemen van deze vordering, waarna het OM op 8 november 2012 de vordering opnieuw aanhangig maakte bij de bevoegde kamer.
Het hof oordeelde dat de eerste tijdige indiening voldoende was om de betrokkene op de hoogte te stellen en dat de hernieuwde indiening spoedig na de onbevoegdverklaring had plaatsgevonden. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de termijn in artikel 511b Sv een waarborgfunctie heeft, maar dat niet-naleving niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid leidt als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bekrachtigde het arrest van het hof, waarmee het OM ontvankelijk bleef in de ontnemingsvordering ondanks de overschrijding van de termijn bij de tweede indiening.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het OM ontvankelijk blijft in de ontnemingsvordering ondanks overschrijding van de termijn bij de tweede indiening.