Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
5 november 2024.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure stond centraal of het Openbaar Ministerie (OM) tijdig het voornemen tot het instellen van een ontnemingsvordering had aangekondigd conform artikel 311 lid 1 Sv Pro. De betrokkene stelde dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de aankondiging niet tijdig was gedaan, wat volgens hem het gerechtvaardigde vertrouwen in de afdoening van de zaak had geschonden.
Het hof verwierp dit verweer met verwijzing naar eerdere arresten waarin is vastgesteld dat het niet tijdig aankondigen van een ontnemingsvordering niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het voorschrift in artikel 311 lid 1 Sv Pro vooral dient om rechtszekerheid te bieden, maar geen garantie inhoudt dat de betrokkene altijd op de hoogte wordt gesteld.
De Hoge Raad stelt dat het enkele verzuim niet voldoende is om het OM niet-ontvankelijk te verklaren, maar dat onder omstandigheden het nadeel dat de betrokkene heeft geleden aanleiding kan geven tot vermindering van de betalingsverplichting. In deze zaak is de redelijke termijn overschreden, wat leidt tot een vermindering van het te betalen bedrag van €5.222,74 naar €4.960.
De Hoge Raad vernietigt daarom het hofsvonnis voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en wijst de zaak terug voor herberekening, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €4.960 en verwerpt het beroep voor het overige.