Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
10 december 2019.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor doodslag, gepleegd door in het portiek van diens woning in Amsterdam met een vuurwapen op het slachtoffer te schieten. Het Gerechtshof Amsterdam had verdachte eerder veroordeeld.
Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, waarbij onder meer werd betwist of het hof acht mocht slaan op een curriculum vitae van een deskundige bewegingsanalyse en de betrouwbaarheid van een gehanteerde ganganalysemethode. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende gewicht hadden om behandeling in cassatie te rechtvaardigen, mede omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en bleef het arrest van het hof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de veroordeling van het hof blijft staan.