Conclusie
Nummer 17/04233
enmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’, 3. ‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd,
enmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd,
enmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd’, en 4. ‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd’ en wegens (in de zaak met parketnummer 03-134189-15) ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Het hof heeft voorts vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en maatregelen tot schadevergoeding opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven.
Het eerste en vierde namens de verdachte voorgestelde middel
eerstemiddel klaagt over de bewijsvoering van de (in de zaak met parketnummer 03-721122-15) onder 1 en 4 bewezenverklaarde feiten. Het
vierdemiddel klaagt over de bewijsvoering van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Voorafgaand aan de bespreking van deze middelen geef ik de bewezenverklaring, ’s hofs bewijsoverweging en de aanvulling bewijsmiddelen voor zover deze betrekking heeft op deze beide feiten weer.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
eerstemiddel klaagt dat het onder 1 en 4 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en/of dat het hof de bewezenverklaring mede heeft doen steunen op onvoldoende concreet steunbewijs. Onder de artikelen die het hof zou hebben geschonden is art. 342 Sv Pro vermeld. Uit de toelichting op het middel kan worden afgeleid dat de steller in de kern klaagt over schending van art. 342, tweede lid, Sv.
vierdemiddel klaagt dat het hof voor het bewijs van het onder 1 bewezenverklaarde gebruik heeft gemaakt van zijn eigen waarneming dat het schaamhaar van de verdachte ‘inderdaad’ blond was. De steller klaagt dat noch uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep noch uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg kan blijken dat de kleur van het schaamhaar van de verdachte ter terechtzitting aan de orde is gekomen. Derhalve behoefden de verdachte en zijn raadsvrouw er geen rekening mee te houden dat ‘dit zeer intieme detail voor het bewijs gebezigd zou worden’.
NJ2019/465 m.nt. Reijntjes heeft Uw Raad omtrent de eigen waarneming als bewijsmiddel het volgende overwogen:
NJ2018/35 m.nt. Rozemond. Daarin besliste Uw Raad reeds dat aan ‘de enkele omstandigheid’ dat de eigen waarneming van het hof niet op de terechtzitting was gedaan niet de gevolgtrekking kon worden verbonden ‘dat het Hof de desbetreffende waarneming niet voor het bewijs heeft mogen bezigen’. Bij de in dat geval relevante omstandigheden noemde Uw Raad ook dat de betreffende ‘stukken van overtuiging, te weten een fotomap met afbeeldingen’ in eerste aanleg ter terechtzitting getoond waren. Dat aspect wordt in de overwegingen van Uw Raad in het arrest uit september 2019 niet meer genoemd. [6]
Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel
tweedenamens de verdachte voorgestelde middel klaagt over de strafmotivering. Deze zou niet zonder meer begrijpelijk zijn nu daaruit blijkt dat het hof de omstandigheid dat de verdachte een ziekelijke stoornis in de vorm van een antisociale-persoonlijkheidsstoornis heeft bij de bepaling van de straf niet in strafverminderende zin in aanmerking heeft genomen. De toelichting houdt voorts in dat het oordeel van het hof dat een langdurige opsluiting de enig overblijvende sanctiemogelijkheid is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
Strafbaarheid van de verdachte
(BFK: voren)als beneden gemiddeld intelligent. Voor het overige heeft men weinig zicht kunnen krijgen op zijn innerlijke gedachten- en belevingswereld. Het PBC kan ook geen conclusie geven omtrent de toerekeningsvatbaarheid.
Het namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] voorgestelde middel
middelheeft betrekking op de wettelijke rente. Aangevoerd wordt dat de wettelijke rente ten onrechte eerst wordt ‘gehonoreerd vanaf de einddatum van de bewezenverklaarde periode waarin het misbruik heeft plaatsgevonden’. Primair is de benadeelde partij van mening dat de wettelijke rente over het gehele bedrag dient te worden ‘toegekend en berekend vanaf het moment dat het eerste schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, zijnde [geboortedatum] 2008’. Subsidiair is de benadeelde partij van mening dat de wettelijke rente vanaf dat moment over de helft van het toegewezen bedrag dient te worden berekend. Inzake de aanvangsdatum van de wettelijke rente over het resterende deel van het toegewezen bedrag worden twee opties in overweging gegeven. Meer subsidiair is de benadeelde partij van mening ‘dat, indien geen concrete omstandigheden kunnen worden aangevoerd die meebrengen dat de wijze waarop de schade in deze periode is opgelopen een ander dan lineair verband heeft met de tijd, de meest redelijke benadering zou dienen te zijn dat de ingangsdatum van de wettelijke rente over het gehele bedrag wordt gesteld op de datum halverwege de volledige periode waarin het misbruik heeft plaatsgevonden, zijnde 26 januari 2012’.
vanaf[geboortedatum] 2008 heeft plaatsgehad, nu het hof bewezen heeft verklaard dat het misbruik
in de periodevan [geboortedatum] 2008 tot en met 24 maart 2015 heeft plaatsgehad.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
(BFK: hebben)plaatsgevonden. De schadevergoeding kan dan ook naar billijkheid worden vastgesteld op het gevorderde bedrag van € 20.000,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente, waarbij het hof, anders dan de benadeelde partij, als ingangsdatum de einddatum van de bewezenverklaarde periode neemt.’
NJ2019/379 m.nt. Vellinga het volgende overwogen (met weglating van twee voetnoten):
Wettelijke rente
NJ2014/81. In dat arrest oordeelde Uw Raad naar aanleiding van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel dat het hof ten onrechte had bepaald dat het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij pas vanaf de dag waarop het hof zijn arrest had uitgesproken werd vermeerderd met de wettelijke rente. Uw Raad herstelde dat verzuim, en ging daarbij ‘voor de datum waarop de wettelijke rente ingaat’ uit van de ‘data waarop de verschillende in de vordering van de benadeelde partij genoemde geldbedragen van de bankrekening van de benadeelde partij zijn afgeschreven’. [22]
NJ1998/508 m.nt. Vranken (eerste peildatumarrest) overwoog de civiele kamer van Uw Raad onder meer (rov. 3.8):
beoordeling’ dienen mee te wegen; anderzijds ‘wordt de (gehele) schade geacht te zijn geleden op het – dikwijls veel eerder gelegen – moment van het ongeval. Men pleegt in de praktijk althans aan te nemen dat de schuldenaar reeds op dat moment wettelijke rente verschuldigd was over het vastgestelde bedrag aan smartengeld’. [29] Hebly bepleit dat ‘een principiële keuze wordt gemaakt voor een vaststelling van het smartengeld naar het moment van de rechterlijke beslissing, waarbij dat moment als ‘peildatum’ in alle opzichten beslissend is, dus voor wat betreft de feiten en omstandigheden die de rechter aan zijn begroting ten grondslag legt, de heersende smartengeldmaatstaven en het ingaan van de looptijd van de wettelijke rente’. Met zijn betoog bouwt Hebly voort op een preadvies dat hij eerder samen met Lindenbergh schreef. [30] A-G Hartlief sluit zich in zijn conclusie voor HR 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1291 bij het betoog in dit preadvies aan, en bepleit dat de civiele kamer van Uw Raad aangeeft dat ‘de in de
Peildatum-arresten aangenomen ‘vrijheid’ van de feitenrechter om toekomstige schade te kapitaliseren naar een peildatum in het verleden beperkt is tot (…) gevallen van toepassing van oud recht’ (randnummer 3.27). De civiele kamer van Uw Raad heeft dit pleidooi evenwel niet gevolgd, zo blijkt uit de volgende overweging in genoemd arrest (met weglating van een voetnoot waarin wordt verwezen naar een overweging in HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4606,
NJ2012/613 (derde peildatumarrest)):
Bijvoorbeeld gedurende een zeer lange periode stelselmatig gebeurd.’ De begroting is derhalve niet gebaseerd op een optelsom van afzonderlijke schades, die elk van de strafbare feiten separaat teweeg heeft gebracht, maar op de schade die het geheel van de strafbare feiten in zijn totaliteit heeft veroorzaakt.
Het derde namens de verdachte voorgestelde middel
derdenamens de verdachte voorgestelde middel klaagt dat de redelijke termijn is overschreden doordat tussen het instellen van beroep in cassatie en de ontvangst van de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad meer dan acht maanden zijn verstreken.
Art. 80a en art. 81 RO Pro
NJ2015/140 m.nt. Van Kempen had Uw Raad ervoor kunnen kiezen om in alle gevallen waarin een conclusie genomen is, kansloze middelen alleen met toepassing van art. 81 RO Pro te verwerpen. Ook daar heeft Uw Raad tot op heden niet voor gekozen; er zijn gevallen waarin een conclusie wordt genomen en het cassatieberoep vervolgens met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard. [59]
to prevent unmeritorious and frivolous appeals from clogging up their criminal justice systems’ (vgl. genoemde zaak Çelik tegen Nederland, rov. 31).
NJ2013/241 m.nt. Bleichrodt door Uw Raad gekozen formulering ook niet tot deze koppeling. Uw Raad acht in dat arrest het achterwege laten van strafvermindering mogelijk als naast het middel betreffende de redelijke termijn slechts middelen zijn voorgesteld ‘die aan toepassing van art. 80a RO niet in de weg staan.’ Uw Raad stelt niet als eis dat art. 80a RO daadwerkelijk wordt toegepast.
unmeritorious and frivolouskan worden aangemerkt. [67]
NJ2019/465 m.nt. Reijntjes algemene overwegingen geformuleerd inzake het gebruik van de eigen waarneming die de rechter buiten de terechtzitting om heeft gedaan als bewijsmiddel. Tweeëneenhalve maand na het bestreden arrest en ruim anderhalf jaar voor het indienen van de cassatieschriftuur namens de verdachte is evenwel HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2639,
NJ2018/35 m.nt. Rozemond gewezen. Dat arrest bood gelet op de bijzonderheden van de onderhavige strafzaak ook al weinig hoop op een goede afloop. Daar komt bij dat de eigen waarneming, zo bleek, ook als eigen waarneming van de rechtbank kan worden opgevat en dat de bewezenverklaring zelfs bij eliminatie van de eigen waarneming toereikend is gemotiveerd. Dat bewijsklachten op die grond kunnen worden verworpen was al ver voor het bestreden arrest duidelijk. [68]