Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
19 februari 2019.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad een beschikking van het Gerechtshof Amsterdam vernietigd omdat het hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek van klaagster om een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen in verband met de onttrekking aan het verkeer van een personenauto die aan haar toebehoorde.
De auto was onttrokken aan het verkeer bij onherroepelijk arrest in een strafzaak tegen haar partner. Klaagster had primair verzocht om herroeping van de onttrekking en teruggave van de auto, en subsidiair om een geldelijke tegemoetkoming omdat zij niet verwijtbaar had gehandeld en onevenredig in haar belangen werd geschaad.
Het hof verklaarde het klaagschrift ongegrond en wees het verzoek om geldelijke tegemoetkoming af zonder voldoende motivering. De Hoge Raad oordeelde dat het hof had moeten motiveren waarom het art. 33c, tweede lid, Sr niet werd toegepast en vernietigde de beschikking voor zover het verzoek onbehandeld bleef.
De zaak is terugverwezen naar het hof voor hernieuwde behandeling en beslissing op het verzoek om geldelijke tegemoetkoming. Het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens verzuim te beslissen op het verzoek om geldelijke tegemoetkoming en wijst de zaak terug naar het hof.