Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan afpersing in vereniging, waarbij een grote hoeveelheid cocaïne werd afhandig gemaakt. De verdachte had contacten gelegd en medeverdachten voorzien van een auto en vals geld voor de ontmoeting met het slachtoffer.
De Hoge Raad beoordeelde verschillende middelen van cassatie, waaronder klachten over het oordeel van het hof over het bewapeningsgebruik bij cocaïnehandelaren en de strafoplegging. De meeste middelen werden verworpen zonder nadere motivering, omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden in de cassatiefase. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden naar elf maanden en een week.
Het arrest werd uitgesproken door de Hoge Raad op 17 december 2019, waarbij het beroep voor het overige werd verworpen en de strafvermindering werd bevestigd.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf maanden en een week wegens overschrijding van de redelijke termijn.