Conclusie
Nummer18/00858
[betrokkene 3]hetgeen in het verkort arrest op p. 4 en 5 kort en zakelijk is weergegeven.
de verdachte:
de verdachte:
historische telefoongegevens, voor zover de daaruit blijkende gegevens in het verkort arrest op p. 5 tot en met 7 zijn vermeld.
gegevens uit hettrack-and-trace-systeem van de Peugeot met kenteken [kenteken 1], van 21 oktober 2010 (…), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , met bijlage ((…), in het bijzonder p. 203 wat betreft de aanwezigheid van de auto op Schiphol of in de omgeving van Schiphol op 7 oktober 2010 tussen 17:58 uur en 21:21 uur en in het bijzonder p. 205 wat betreft de aanwezigheid van de auto op het Mosveld op 10 oktober 2010 van 17:18 tot 17:24 uur en op de Wieringerwaardstraat van 17:36 tot 18:01 uur), en van 22 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , met bijlage (…), voor zover de daaruit blijkende gegevens in het verkort arrest op p. 5 tot en met 7 zijn vermeld.
[betrokkene 5]:
[slachtoffer]:
[betrokkene 7]:
[betrokkene 1]:
relaas van voornoemde verbalisant:
[betrokkene 9]:
[betrokkene 11](…):
de verdachte:
De inhoud van de verklaringen van de getuige [betrokkene 3]
track and tracesysteem van de Peugeot in gebruik bij de verdachte blijkt dat deze auto zich op donderdag 7 oktober 2010 tussen 17.58 uur en 21.21 uur bevond in de omgeving van Schiphol of op Schiphol. Uit de historische telefoongegevens blijkt dat de telefoons van de verdachte en van [betrokkene 2] daar eveneens uitpeilen en onderling veelvuldig contact hebben. Ook heeft de telefoon van [betrokkene 1] in die tijd tweemaal contact met de telefoon van de verdachte. De verdachte heeft in zijn verhoor van 24 november 2010 bevestigd dat het zou kunnen dat hij op die dag op Schiphol is geweest.
track and tracegegevens en de historische telefoongegevens is ten aanzien van 10 oktober 2010 vast te stellen dat er in de ochtend tussen 10.45 uur en 13.17 uur elf keer contact is tussen de telefoons van de verdachte en [betrokkene 1] waarna de verdachte om 13.22 uur belt naar [betrokkene 2] . [betrokkene 2] die uitpeilt op [c-straat] waar de verdachte woont, belt om 13.53 uur twee keer naar de verdachte. [betrokkene 2] telefoon blijft uitpeilen op die locatie tot 15.01 uur. Om 17.04 uur peilen zowel de telefoon van de verdachte als die van [betrokkene 2] uit ter hoogte van Cruqiusweg 5 (het hof begrijpt: in Amsterdam Oost nabij het IJ). Met de telefoon van de verdachte wordt vanaf die locatie om 16.47 uur een sms-bericht naar de telefoon van [betrokkene 1] gestuurd. Tussen 17.18 uur en 17.24 uur staat de Peugeot op het Mosveld (het hof begrijpt: in Amsterdam Noord) en van 17.36 uur tot 18.01 uur op de Wieringerwaardstraat ter hoogte van de [b-straat] waar [slachtoffer] woont. De telefoon van de verdachte blijft uitpeilen ter hoogte van Cruqiusweg 5 tot 18.26 uur, waarna deze zich in oostelijke richting verplaatst naar de peiling op Cruqiusweg 71. De telefoon van de verdachte heeft om 17.33 uur contact met de telefoons van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en blijft contact houden tot 17.40 uur. De telefoon van [betrokkene 1] peilt uit ter hoogte van de Jisperveldstraat, gelegen in de nabijheid van de Wieringerwaardstraat en de Waalenburgerstraat.
NJ2017/458 m.nt. Rozemond een eerder (veroordelend) arrest van het Hof Amsterdam in deze zaak gecasseerd. Het hof had vastgesteld dat het opzet van de verdachte slechts was gericht op het leveren van hulp aan [betrokkene 2] en [betrokkene 1] om met vals geld een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne te verwerven. Dat misdrijf zou voldoende verband houden met de afpersing. In aanmerking genomen wat uit de vaststellingen van het hof volgde over de aard van de gedraging van de verdachte (valse bankbiljetten aan [betrokkene 2] geven om daarmee een partij cocaïne te verwerven) en van het gronddelict (afpersing) was ’s hofs oordeel dat het misdrijf waarop het opzet van de verdachte gericht was voldoende verband hield met de afpersing volgens Uw Raad niet zonder meer begrijpelijk. En daaraan deed niet af hetgeen het hof had overwogen over de overige omstandigheden van het geval ‘(kort gezegd: een illegaal en risicovol gebeuren in het criminele milieu met betrekking tot een waardevol goed)’. A-G Spronken was anders uitgekomen; daarbij had zij ’s hofs overwegingen met betrekking tot de overige omstandigheden van het geval aldus verstaan ‘dat het een feit van algemene bekendheid mag worden geacht dat er een reële kans is, dat bij het afhandig maken van een partij cocaïne wordt gedreigd met geweld of daadwerkelijk geweld wordt gebruikt en dat daarbij ook de reële kans bestaat dat personen die een dergelijke poging wagen zich bewapenen.’ Dat leek haar ‘net als het oordeel dat verdachte daarmee bekend moest zijn’ geenszins onbegrijpelijk.
Het eerste en tweede middel
eerstemiddel komt op tegen ’s hofs oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is ‘dat personen die zich bezighouden met de kilohandel in cocaïne zich in het algemeen bewapenen met een vuurwapen’.
www.rechtspraak.nlis een algemeen toegankelijke bron. Invoering van de zoektermen ‘ripdeal’ en ‘cocaïne’ met de opdracht ‘Zoeken in alle velden’ in strafrechtelijke uitspraken en conclusies leverde op 14 november jongstleden 132 hits op. Verkleining van de gevonden verzameling met de zoekterm ‘vuurwapen’, eveneens in alle velden, leidde tot een verzameling van 120 uitspraken en conclusies, waaronder 73 vonnissen en 32 arresten van gerechtshoven. Kennisneming van die uitspraken bevestigt de indruk, op basis van de eerste selectie ontstaan, dat in de vervolgde strafzaken (het voornemen tot het plegen van) een ripdeal in de context van cocaïnehandel dikwijls met vuurwapenbezit gepaard gaat. Dat beeld wordt niet anders als alleen uitspraken over ripdeals gepleegd voor 10 oktober 2010 in de beschouwing worden betrokken. Tegen deze constatering kan evenwel worden ingebracht dat er ook ripdeals (kunnen) zijn in verband waarmee geen vervolging wordt ingesteld, en dat de kans dat een ripdeal (uiteindelijk) niet ter kennis van politie en justitie komt vermoedelijk groter is als daarbij geen vuurwapen is gebruikt.
tweedemiddel borduurt voort op het eerste. De bewezenverklaring zou zonder het door het hof omschreven feit van algemene bekendheid niet naar de eisen der wet met redenen zijn omkleed omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op (de dreiging met) vuurwapengeweld.
Het derde en vierde middel
derdemiddel houdt in dat het hof de strafoplegging onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd.
BFK: heeft) alweer van 5 jaar terug is. Hij heeft niet meer in detentie gezeten en hij heeft zijn leven weer op de rit. Hij heeft destijds 5 maanden in detentie verbleven.’
vierdemiddel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.