In deze zaak stond de waardering van valutavorderingen en valutatermijncontracten centraal binnen de vennootschapsbelasting voor het jaar 2008. Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, had vorderingen in Amerikaanse dollars die waren omgezet in rentedragende leningen en had valutatermijncontracten gesloten ter afdekking van het valutarisico. De discussie betrof onder meer of verliezen op valutatermijncontracten in aftrek mochten worden gebracht en hoe waardestijgingen van vorderingen moesten worden verantwoord.
Daarnaast speelde de toepassing van het ijzerenvoorraadstelsel bij een producent van kunstmestproducten, waarbij de omvang van de normale technische voorraad aardgas en de economische voorraad (voorinkopen) aan de orde waren. Het hof had geoordeeld dat het verlies op het eerste valutatermijncontract terecht was verwerkt, dat waardestijgingen van de eerste vordering tot 30 mei 2008 in aanmerking moesten worden genomen, en dat de omvang van de technische voorraad correct was vastgesteld. De tweede schijf van de voorraad mocht worden gehandhaafd, maar het hof had onvoldoende gemotiveerd of het volledige prijsrisico liep.
De Hoge Raad bevestigde dat bij een zeer effectieve hedge een samenhangende waardering verplicht is en dat gerealiseerde verliezen op valutatermijncontracten niet gesaldeerd mogen worden met ongerealiseerde winsten op vorderingen, ook als deze moeilijk verhandelbaar zijn. Verder werd benadrukt dat het realiteitsbeginsel centraal staat bij goed koopmansgebruik en dat de bewijslast bij het ijzerenvoorraadstelsel op de belastingplichtige rust om de omvang van de normale voorraad aannemelijk te maken. De zaak werd vernietigd en verwezen voor nader onderzoek naar het prijsrisico van de tweede voorraadschijf.