Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
8 januari 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd ervan verdacht opzettelijk voordeel te hebben getrokken uit een bijstandsuitkering die zijn partner verkreeg door het niet nakomen van haar inlichtingenplicht volgens de Wet Werk en Bijstand. Het hof Arnhem-Leeuwarden had hem hiervoor veroordeeld.
De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsvoering niet zonder meer volgt dat de verdachte opzet had op het voordeel trekken uit door misdrijf verkregen geld, omdat niet is vastgesteld dat hij wist dat zijn partner niet aan haar inlichtingenplicht voldeed. De verdediging voerde aan dat de verdachte geen kennis had van de onjuiste gegevensverstrekking en dat er geen sprake was van bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans op het plegen van een misdrijf.
Gezien het ontbreken van voldoende bewijs voor het opzetvereiste vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep. Dit arrest bevestigt het belang van een nauwkeurige motivering en bewijsvoering bij het vaststellen van opzet in strafzaken rondom voordeel trekken uit misdrijf.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende bewijs van opzet.