Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 maart 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor meervoudige diefstal aan boord van een marinevaartuig. De verdachte had de weggenomen goederen verkocht. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had hem eerder veroordeeld en het beroep richtte zich tegen dat arrest.
Namens de verdachte diende advocaat J.E. Kötter een middel van cassatie in. De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage. Dit arrest bevestigt de eerdere strafrechtelijke beoordeling van de meervoudige diefstal en het bewijs van daderschap.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.