Conclusie
verdachte ter terechtzittingvan de militaire kamer van de rechtbank van 14 juli 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
2.
verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:
relaas van verbalisanten,zakelijk weergegeven:
verklaring van verdachte,zakelijk weergegeven:
6.
relaas van verbalisant,zakelijk weergegeven:
verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
verklaring van [betrokkene 8] ,zakelijk weergegeven:
10.
verklaring van [betrokkene 9] ,zakelijk weergegeven:
V: Met welk soort apparaten werken jij en [verdachte] ?
11.
verklaring van [betrokkene 10] ,zakelijk weergegeven:
12.
verklaring van [betrokkene 7] ,zakelijk weergegeven:
[e-mailadres 3]
“Bewezenverklaring van feit 1 en feit 2
NJ2017/277 en 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652,
NJ2017/278, beide m.nt. Kooijmans, voorafgaande beschouwingen gewijd aan gevallen waarin de bewijsmiddelen duiden op het voorhanden hebben van een voorwerp nadat met betrekking tot datzelfde voorwerp een vermogensdelict is gepleegd en de vraag of de verdachte zelf dat vermogensdelict heeft gepleegd dan wel of hij nadien daarbij (ook) op een strafbare wijze betrokken is geweest. Deze beschouwingen houden het volgende in. Bij de beantwoording van de vraag of iemand zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal kan aan het enkele voorhanden hebben van een gestolen voorwerp niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene het voorwerp ook heeft gestolen. De feiten en omstandigheden van het geval zijn van belang bij de beoordeling van de betekenis die aan het voorhanden hebben moet worden gehecht. [1] Bij die beoordeling kan een rol spelen of de betrokkene een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van het voorwerp, kan op zichzelf niet tot het bewijs bijdragen. De rechter mag in zijn overweging omtrent het gebezigde bewijsmateriaal echter wel betrekken dat de verdachte voor zo’n omstandigheid als het voorhanden hebben van het voorwerp geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. [2] Voorts heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:415 overwogen dat wanneer in een bepaald geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, sprake kan zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte van belang is voor de beantwoording van de vraag of te zijnen laste medeplegen kan worden bewezen. [3]
NJ2017/277, m.nt. Kooijmans uit de rechtspraak van de Hoge Raad twee factoren gedestilleerd die zijns inziens in belangrijke mate bijdragen aan het bewijs van diefstal, ingeval de verdachte wordt aangetroffen met gestolen goederen of in een vergelijkbaar nauw verband gebracht kan worden met die voorwerpen. Deze factoren zijn a. een kort tijdsverloop na de diefstal [4] en b. het ontbreken van een (aannemelijke) verklaring voor het aantreffen van het gestolen goed (waarbij de procesopstelling van de verdachte veelal een doorslaggevende rol speelt). Deze analyse lijkt mij juist, [5] mede gezien de door mij hierboven in tekst en noot aangehaalde uitspraken. A-G Harteveld haalde in zijn conclusie onder meer de zaak aan, die heeft geleid tot HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1121 (ook de steller van het middel verwijst naar dit arrest). De verdachte werd in die zaak, samen met zijn medeverdachte, op 24 oktober 2008 op heterdaad betrapt bij een poging tot diefstal uit een oliebollenkraam. Bij zijn aanhouding werden verschillende goederen aangetroffen, waaronder een aantal roze shirts met een opdruk (bedrijfskleding). Deze shirts bleken gestolen te zijn in de nacht van 15 op 16 oktober 2008 uit een gebakkraam in Borne. Onderzoek wees uit dat uit de gebakkraam een oliebollenmachine en een oliebollenschaal waren ontvreemd. Het hof kwam tot een bewezenverklaring van de diefstal uit de gebakkraam. De verdachte had nog wel verklaard dat hij zijn bestelbus wel eens uitleende, maar dat was onvoldoende om het hof op andere gedachten te brengen. In cassatie bleef de bewijsconstructie echter niet overeind. De Hoge Raad oordeelde dat uit de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging niet zonder meer kon volgen dat het de verdachte was geweest die in de nacht van 15 op 16 oktober 2008 had ingebroken in de gebakkraam en aldaar de bewezenverklaarde goederen had weggenomen. De A-G Harteveld wees in zijn bespreking van die zaak op het gat in de tijd na de diefstal – circa acht dagen – en meende dat dit wel eens een doorslaggevende factor zou kunnen zijn geweest, omdat in die tussentijd van alles gebeurd kon zijn met de gestolen kleding, wat de diefstal door juist die verdachte(n) minder aannemelijk zou maken. Die explicatie komt mij wat betreft die zaak niet onaannemelijk voor, maar voor de volledigheid wijs ik er wel op dat de Hoge Raad deze factor in zijn overweging niet noemt. Daar zou heel goed als reden aan ten grondslag gelegen kunnen hebben dat de Hoge Raad zich in dit verband niet wil vastleggen op een bepaald tijdvak; van belang zijn immers de feiten en omstandigheden van het concrete geval. In de zaak die aan de orde was in HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2589 en eveneens is besproken in de aangehaalde conclusie, zat ruim een week tussen de diefstal van twee buitenboordmotoren en het aantreffen van deze goederen onder de verdachte. Het hof had diefstal in vereniging bewezenverklaard. De Hoge Raad kwam echter tot een vernietiging van het bestreden arrest omdat – wederom zonder daarbij het tijdsverloop als factor te noemen – de diefstal in vereniging niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid.