Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 april 2018, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de daarbij behorende beschikkingen inzake heffingsrente voor de jaren 2009 en 2010 behandelde.
De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, waarna belanghebbende een conclusie van repliek indiende. De Advocaat-Generaal concludeerde op 17 januari 2019 tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees de proceskostenveroordeling af en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken op 22 februari 2019 door raadsheren Fierstra, Wortel en Beukers‑van Dooren.