Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch over een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Eindhoven. Het hof had het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding vastgesteld op één punt volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onbegrijpelijk had gehandeld door slechts één punt toe te kennen voor twee procesverrichtingen, namelijk het indienen van het hogerberoepschrift en het geven van een schriftelijke zienswijze op het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar. Daarom werd het arrest vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding betrof.
De Hoge Raad stelde de vergoeding vast op twee keer een half punt à €512, oftewel €512. Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van griffierecht en kosten van het cassatiegeding. De overige klachten werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.