Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting, waarna een langdurige procedure volgde bij de heffingsambtenaar, rechtbank, hof en Hoge Raad. De rechtbank wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat de redelijke termijn niet was overschreden.
Het geschil betrof de vraag of de rechtbank ten onrechte geen immateriële schadevergoeding toekende wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof stelde vast dat de redelijke termijn voor de gehele procedure, inclusief bezwaar, beroep en hoger beroep, zes jaar bedroeg. Hierbij werd rekening gehouden met redelijke termijnen voor de procedures bij het hof en de Hoge Raad, niet met het feitelijke tijdsverloop.
Omdat de rechtbank binnen deze termijn uitspraak had gedaan, was er geen overschrijding. Het hof oordeelde dat na terugwijzing naar de rechtbank geen nieuwe behandelingsfase start, conform jurisprudentie van de Hoge Raad. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het hof zag geen aanleiding om griffierecht of proceskosten toe te wijzen. De uitspraak werd gedaan zonder zitting, schriftelijk en in het openbaar op 23 september 2021.