ECLI:NL:HR:2019:378

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2019
Publicatiedatum
15 maart 2019
Zaaknummer
17/00909
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Leerplichtwet 1969Art. 4a Leerplichtwet 1969Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens niet naleven leerplicht met voorwaardelijke geldboete

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het niet voldoen aan de verplichting om haar 16-jarige zoon geregeld naar school te laten gaan gedurende bijna vier maanden, in strijd met de Leerplichtwet 1969.

De verdediging voerde onder meer aan dat uit het bewijs niet bleek dat er een verplichting tot schoolbezoek bestond, omdat niet duidelijk was wanneer de eerste schooldag was. Tevens werd betoogd dat de zoon geoorloofd verzuimde wegens ziekte van Pfeiffer. Het hof oordeelde echter dat verdachte onvoldoende zorg had betracht en onvoldoende bewijs leverde voor geoorloofd verzuim.

De Hoge Raad overwoog dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Hoewel de redelijke termijn was overschreden, achtte de Hoge Raad, gelet op de lichte straf (voorwaardelijke geldboete van €400,- met proeftijd), geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden.

Uiteindelijk verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigt de opgelegde straf, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt geheel voorwaardelijke geldboete van €400,- met proeftijd.

Uitspraak

19 maart 2019
Strafkamer
nr. S 17/00909
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 2 februari 2017, nummer 23/001157-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 400,-, subsidiair acht dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 maart 2019.