Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:45

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 januari 2019
Publicatiedatum
15 januari 2019
Zaaknummer
17/00364
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33a lid 1 sub a SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens verbeurdverklaarde bedragen

De Hoge Raad behandelt een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had een betalingsverplichting opgelegd aan de betrokkene, maar had nagelaten om verbeurdverklaarde geldbedragen die tijdens doorzoekingen in beslag waren genomen in mindering te brengen.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, en stelde voor de betalingsverplichting te verminderen tot € 80.547,-. De Hoge Raad volgt dit advies en stelt vast dat de verbeurdverklaarde bedragen van € 9.580,- reeds het voordeel aan de betrokkene ontnomen hebben.

Het hof had deze bedragen in mindering moeten brengen op de betalingsverplichting, omdat deze gelden afkomstig waren uit gewoonteheling en drugshandel, en vermengd waren met legale vermogensbestanddelen. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden vonnis voor zover het de betalingsverplichting betreft en bepaalt de nieuwe betalingsverplichting. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot € 80.547,- wegens verrekening van verbeurdverklaarde bedragen.

Uitspraak

15 januari 2019
Strafkamer
nr. S 17/00364 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 11 januari 2017, nummer 21/007228-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de vaststelling van de betalingsverplichting, tot vermindering van het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 80.547,- bedraagt en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het tweede middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de in de hoofdzaak verbeurdverklaarde geldbedragen van in totaal € 9.580,- niet in mindering heeft gebracht op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 12 tot en met 14 is het middel terecht voorgesteld (vgl. HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR: 2016:874, rov. 2.4).
2.3.
De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen door de door het Hof vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met de verbeurdverklaarde geldbedragen van in totaal € 9.580,-. Uitgaande van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 90.127,- zal worden bepaald dat de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat een bedrag van € 80.547,- bedraagt.

3.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 80.547,-;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 januari 2019.