Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 juni 2018, waarin het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur werden behandeld met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2012.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en de conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de middelen oordeelde de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd gewezen door raadsheer G. de Groot als voorzitter, samen met raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2019.