Conclusie
1.Overzicht
tribunal administratifhad geoordeeld dat het uitzendbureau geen scheepsexploitant is en heeft in 2011 medegedeeld dat de
certificats d'exploitantten name van het uitzendbureau zijn ingetrokken. De Luxemburgse sociale-verzekeringsautoriteit heeft in 2011 ook de Sociale verzekeringsbank (Svb) ingelicht dat het uitzendbureau niet als exploitant kan worden aangemerkt. Die Luxemburgse autoriteit had in 2006 een E101-verklaring afgegeven inhoudende dat de belanghebbende onderworpen was aan het Luxemburgse sociale-verzekeringsstelsel. In 2017 heeft zij die verklaring met terugwerkende kracht naar 1 januari 2011 ingetrokken. De Svb heeft vervolgens op 9 oktober 2017 een A1-verklaring afgegeven die de Nederlandse sociale-zekerheidswetgeving op de belanghebbende van toepassing verklaart vanaf 1 januari 2011 t/m 31 augustus 2014. Belanghebbendes bezwaar daartegen is niet-ontvankelijk verklaard.
cotisations sociales, waartoe de inspecteur volgens de rechtbank niet verplicht was. In geschil is of de belanghebbende in de jaren 2011 t/m 2014 in Nederland sociaal verzekerd en premieplichtig was en of hij voor het jaar 2014 recht heeft op aftrek van de in Luxemburg geheven
cotisations sociales.
Rechtbankheeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard.
Hofacht de belanghebbende ex art. 6 AOW Pro in beginsel in Nederland verzekerd en premieplichtig en legde de last om aannemelijk te maken dat het op grond van art. 6a AOW anders is, op de belanghebbende, in welk bewijs hij hem niet geslaagd achtte. Het Hof achtte de inspecteur bevoegd om zelfstandig de premieplicht ex artt. 57 en 58 Wfsv jo art. 11 AWR Pro vast te stellen. Art. 5 Rijnvarendenovereenkomst (Rvov) staat daaraan niet in de weg. Volgens het Hof was de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing op grond van art. 4 Rvov Pro en de door de Svb afgegeven A1-verklaring, waaraan de fiscus en de belastingrechter gebonden zijn (HR ECLI:NL:HR:2009:BH0546 (zie 5.9 bijlage). De regularisatieprocedure van art. 16 Toepassingsvo Pro. 987/2009 acht het Hof niet van toepassing, nu uit art. 16 Basisvo Pro. 883/2004 volgt dat niet die verordening, maar de Rvov van toepassing is op de belanghebbende. Het Hof ziet daarin geen schending van het beginsel van loyale samenwerking ex art. 4(3) VEU. Wil de belanghebbene een uitzondering op de Rvov, dan moet hij volgens het Hof in Luxemburg een verzoek indienen ex art. 18 Toepassingsvo Pro. 987/2009. De Inspecteur is niet bevoegd om die uitzonderingsprocedure te volgen. De belanghebbende heeft zo’n verzoek niet gedaan en Luxemburg heeft zijn sociale verzekeringsplicht dan ook niet ‘voorlopig’ op die basis vastgesteld, waardoor ook niet wordt toegekomen aan de pas
nazo’n voorlopige vaststelling toepasselijke procedure van art. 73(2) Toepassingsvo. 987/2009 over terugbetaling van voorlopig betaalde premies met het oog op verrekening met de in Nederland verschuldigde premies. Evenmin acht het Hof de beginselen van behoorlijk bestuur of geschonden, of de regels voor vergoeding van immateriële schade door overschrijding van de redelijke termijn.
X en Van Dijk(zie 5.4 bijlage), althans niet-bindend voor andere lidstaten, als zij, zoals in casu, ten onrechte zijn gebaseerd op de niet op rijnvarenden toepasselijke Vo. 1408/71 in plaats van op het voor rijnvarenden exclusief geldende RV, dat eenduidig en exclusief de scheepsexploitantstaat aanwijst (in casu Nederland).
X en Van Dijk; zie 5.4 bijlage).
aanwijsregels van Vo. 883/2004 worden vervangen door die van de Rvov, maar de procedureregels (overleg, afstemming, bemiddeling, premieterugbetaling en -verrekening) blijven wél van toepassing ook op rijnvarenden. Nederland heeft die procedureregels niet nageleefd en de consequentie daarvan moet zijn dat Nederland geen premie mag heffen, althans minstens de Luxemburgse premies moet verrekenen met de Nederlandse.
tribunal administratifen scheepvaartregister hebben immers expliciet verklaard dat belanghebbendes werkgever
nietals scheepsexploitant beschouwd kan worden en dat de ten onrechte afgegeven
certificats d’ exploitant(die bovendien geen Rijnvaartverklaringen zijn) zijn ingetrokken. Ook hebben de Luxemburgse autoriteiten de onjuiste en ongeldige E101-verklaring met terugwerkende kracht ingetrokken.
X en Van Dijk(5.4 bijlage) en HR
BNB2016/101 (5.4 bijlage) volgt dat Luxemburgse E-verklaringen, afgegeven op basis van de
nietop rijnvarenden toepasselijke oude Vo. 1408/71, andere lidstaten niet binden en dat het voorbijgaan daaraan door de wél-bevoegde lidstaat - omdat voor rijnvarenden exclusief het Rijnvarendenverdrag (RV) gold - geen strijd oplevert met het EU-loyaliteitsbeginsel of enige andere EU-rechtelijke regel. De opvatting dat die voor de stelselaanwijzing irrelevante E-verklaringen ná de inwerkingtreding van de nieuwe Vo. 883/2004 en de nieuwe Rvov wél en zelfs beslissende betekenis zouden hebben, acht in onjuist omdat mij ontgaat hoe iets dat altijd ongeldig is geweest (omdat exclusief een andere regeling gold: het RV), door een wetswijziging die niets van dien aard bepaalt maar juist opnieuw exclusief een andere regeling aanwijst (de Rvov), alsnog geldig zou worden. Art. 6 Rvov Pro helpt de belanghebbende niet omdat de onjuiste Luxemburgse E101-verklaring niet “overeenkomstig” het RV is afgegeven (juist daarom is zij immers ongeldig). De stelling dat de inspecteur zonder voorafgaande detacheringsverklaring niet zelfstandig de premieplicht mag beoordelen en niet mag heffen, lijkt mij irrelevant, nu de inspecteur dat niet heeft gedaan: hij heeft immers de A1-verklaring van de Svb gevolgd, zoals het hoort volgens HR BNB 2019/44 en 45. Overigens is de stelling ook onjuist (HR BNB 2009/312 en HR ECLI:NL:HR:2018:803). Daaruit volgt ook de irrelevantie én de onjuistheid van de stelling dat de belastingrechter niet materieel zou mogen toetsen. De belastingrechter heeft, zoals het hoort volgens HR BNB 2019/44 en 45, de A1-verklaring van de Svb gevolgd. Dat de fiscus en de belastingrechter gebonden zijn aan een A1-verklaring, impliceert niet dat zij de wet niet mogen toepassen als zo’n verklaring zou ontbreken; integendeel. Ook de middelen (i), (iii) en (v) falen daarom.
Toepassingsvo. 987/2009 relevant zou zijn en dat de inspecteur die zou kunnen volgen. Die bepaling dient voor de toepassing van art. 13
Basisvo. 883/20014, dat echter niet van toepassing op rijnvarenden, waarvoor art. 4 Rvov Pro geldt, dat mogelijke onzekerheid of conflict die door regularisatie weggenomen zou moeten worden (waar is een werknemer verzekerd die in meer lidstaten werkt?) al wegneemt door eenduidige aanwijzing van de scheepsexploitantstaat. Zou de regularisatieprocedure wél van toepassing zijn, dan (i) had de belanghebbende die moeten initiëren door zich te melden bij de Svb, hetgeen hij heeft nagelaten, (ii) was niet de inspecteur maar alleen de Svb bevoegd geweest haar te volgen, en (iii) had die procedure slechts kunnen leiden tot aanwijzing van Nederland als bevoegde Staat. Maar er viel überhaupt niets te ‘regulariseren’, nu art. 4 Rvov Pro onbetwist regulier Nederland aanwees, ook volgens Lusemburg, zodat er geen jurisdictieconflict was. Aan art. 73 Toepassingsvo Pro. (verrekening, ná regularisatie, van ‘voorlopig’ geheven premies in de voorlopig aangewezen lidstaat met de heffing in de uiteindelijk aangewezen lidstaat) wordt dan niet toegekomen. De ‘voorlopige’ aanwijsregels zijn manifest ongeschikt voor rijnvarenden. Zou Luxemburg wél menen exploitantstaat te zijn (quod non, zoals expliciet door Luxemburg verklaard), dan zou het volgen van welke conflictprocedure dan ook alleen maar hebben kunnen leiden tot aanwijzing van Nederland als bevoegde Staat. Daarmee ontvalt mijns inziens ook de basis aan de stellingen dat Nederland het EU-rechtelijke loyale-samenwerkingsbeginsel zou hebben geschonden. De middelen (iv) en (vi) treffen daarom mijns inziens evenmin doel.
kanzich in een puur binnenlands geval niet voordoen. Er is dus geen procedurele discriminatie, maar een evident objectief verschil in situaties. Geen (EU-)rechtsregel verplicht een lidstaat om stelselaanwijzingsverklaringen en premieheffing bij dezelfde autoriteit onder te brengen, als het halen van EU-recht maar niet moeilijker is dan het halen van nationaal recht. Dat is niet het geval. Dat dubbele premieheffing is ontstaan, heeft niets te maken met ongelijkheid in procedurele mogelijkheden of terugvorderingstermijnen ten laste van rijnvarenden in Nederland, maar met het gegeven dat Luxemburg zich beroept op zijn verjaringstermijn voor premierestitutie en op de onmogelijkheid om binnen zijn stelsel anders dan via de werkgever (het uitzendbureau) te restitueren, die wellicht failliet is. Daaraan heeft Nederland part noch deel. Ook middel (vii) mist mijns inziens doel.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
tribunal administratifop 16 juni 2010 heeft geoordeeld dat [E] niet als scheepsexploitant kon worden aangemerkt en heeft bij brief van 3 oktober 2011 medegedeeld dat de
certificats d'exploitantten name van [E] zijn ingetrokken. De Luxemburgse voor de sociale verzekering bevoegde autoriteit heeft op 19 december 2011 ook de Sociale verzekeringsbank (Svb) ingelicht dat [E] niet als exploitant kan worden aangemerkt.
cotisations sociales, waartoe de inspecteur volgens de rechtbank niet verplicht was.
cotisations sociales.
nietin Nederland sociaal verzekerdzijn. Evenmin acht de rechtbank de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, nu Luxemburg geen vertrouwen kan wekken dat Nederland bindt. Voor het jaar 2013, ter zake waarvan de belanghebbende niet heeft ingestemd met verlenging van de bezwaarafdoeningstermijn, ziet de Rechtbank wel aanleiding om een immateriële schadevergoeding ad € 500 toe te kennen.
NLF2018/2091 het volgende aangetekend bij deze uitspraak:
Premies betaald in Luxemburg
uitzonderingsprocedure; PJW; zie 4.22 bijlage] te voeren. Anders dan belanghebbende voorstaat, ziet het Hof gelet op het voorgaande geen aanleiding om hierover op grond van artikel 267 van Pro het VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
3.Het geding in cassatie
middel (i)betoogt de belanghebbende dat het Hof niet voorbij kon gaan de Luxemburgse E101-verklaring, nu die niet rechtsgeldig jegens de belanghebbende is ingetrokken omdat hem niets van dien aard is bekend gemaakt. Die E101-verklaring bindt Nederland per 1 mei 2010, omdat art. 7(2) Vo.1408/71, dat voor rijnvarenden voorrang gaf aan het Rijnvarendenverdrag (RV), per 1 mei 2010 niet meer geldt, en de nieuwe Vo. 883/2004 anterieure E-verklaringen alsnog valideert. Omdat art. 7(2) Vo. 1408/71 per 1 mei 2010 niet meer geldt, acht de belanghebbende ook HvJ EU
X en Van Dijk(zie onderdeel 5.4 van de bijlage) en HR 22 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:18 niet meer van toepassing. Uit HR BNB 2019/44 (zie onderdeel 5.14 van de bijlage), volgt voorts dat de belastingrechter de E101-verklaring niet mag toetsen en dus moet respecteren. Volgens de Administratieve Commissie (AC) van de EU is art. 87(8) Vo. 883/2004 ook van toepassing op rijnvarenden voor wie de toepasselijke wetgeving voorheen werd vastgesteld op basis van art. 7(2) Vo. 1408/71, waardoor de E101-verklaring Nederland na 1 mei 2010 bindt.
middel (ii)licht de belanghebbende toe dat nu vast staat dat hij rijnvarende is, niet hij, maar de Svb moet bewijzen welk sociaal verzekeringsrecht van toepassing is.
middel (iii)betoogt de belanghebbende dat de bevoegdheid tot vaststelling van het toepasselijke sociaal verzekeringsrecht bij de Svb ligt. Hij verwijst naar CRvB 28 augustus 2019 (zie 5.19 bijlage), naar aanleiding van
BNB2019/44 (zie 5.14 van de bijlage), waaruit volgt dat alleen de Svb en de sociale zekerheidsrechter mogen oordelen over het toepasselijke sociaal verzekeringsrecht, dus niet de Belastingdienst en belastingrechter. Voordat premie geheven kan worden, zal de Svb dus eerst een aanwijsbesluit moeten nemen, en daarbij moet de Svb de procedurevoorschriften volgen van artt. 6 en 16 Toepassingsvo. 987/2009 en van Besluit A1 van AC (overleg en zo nodig bemiddeling met Luxemburg), hetgeen de Svb heeft nagelaten. ’s Hofs overweging dat de Inspecteur niet bevoegd is een regularisatieprocedure ex art. 16(1) Vo. 883/2004 te voeren (PJW: bedoeld is de
uitzonderingsprocedure), acht de belanghebbende omverenigbaar met zijn oordeel dat de Inspecteur wel bevoegd zou zijn het toepasselijke sociaal verzekeringsrecht vast te stellen. Dat in Luxemburg verzocht zou moeten worden om toepassing van art. 18 Toepassingsvo Pro. 987/200 (uitzonderingsporcedure; PJW), strookt volgens de belanghebbende niet met CRvB 22 november 2018 (zie 5.22 bijlage). ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur niet bevoegd is om in overleg te treden met Luxemburg op basis van de artt. 6 en 16 Toepassingsvo. 987/2009 bevestigt volgens de belanghebbende dat de Inspecteur niet bevoegd is om de verzekeringsplicht vast te stellen; zou hij dat wel kunnen zonder de procedurevoorschriften te hoeven volgen, dan wordt niet voldaan aan de Unierechtelijke verplichting om bij meningsverschillen tussen lidstaten de dialoog- en bemiddelingsprocedures van de basisvo. 883/2004 en diens toepassingsvo. 987/2009 te volgen.
middel (iv)heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat als de Rvov van toepassing is, de procedureregels van de artt. 6 en 16 Toepassingsvo. 987/2009 niet zouden gelden. De belanghebbende verwijst naar CRvB 28 augustus 2019 (zie. 5.19 bijlage), bevestigd door Hof Den Bosch 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3139 t/m 4141 (thans in cassatie aanhangig) en naar het EU-rechtelijke beginsel van loyale samenwerking tussen lidstaten (CRvB 29 december 2017; 5.17 bijlage). Niet-naleving van die procedurevoorschriften heeft volgens de belanghebbende
primairtot gevolg dat Nederland geen premies mag heffen en
subsidiairdat de Luxemburgse premies op basis van art. 73 Toepassingsvo Pro. 987/2009 verrekend moeten worden met de Nederlandse.
Klein Schiphorst(zie 5.6 bijlage) en HvJ
Sante Pasquini(zie 5.3 bijlage) bevestigt dat migrerende werknemers niet de dupe mogen worden van het niet naleven van regels die de betrekkingen tussen de sociale zekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen en dat ook als art. 73 Toepassingsvo Pro. 987/2009 naar de letter niet van toepassing is, de betrokken organen in overeenstemming met diens ratio invulling kunnen geven aan het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt. De belanghebbende wordt dubbel belast en het Hof had een rechtvaardige oplossing moeten bieden omdat Belastingdienst noch Svb noch politiek de Unierechtelijke plicht nakomen om dubbele heffing te voorkomen. Door het onjuist handelen van Nederland is de belanghebbende financieel te gronde gericht, terwijl Vo. 883/2004 en Toepassingsvo. 987/2009 juist in zijn belang de door Nederland veroorzaakte dubbele heffing moeten voorkomen.
middel (vii)stelt de belanghebbende dat het Hof ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn beroep op het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel, hoewel ook in de sociale zekerheidskolom een procedure loopt over belanghebbendes verzoek ex. art. 18 Toepassingsvo Pro. 987/2009 om met toepassing van art. 16(1) Basisvo. 883/2004 het Luxemburgs Sociaal Verzekeringsrecht op belanghebbende van toepassing te verklaren en hij dus, anders dan andere verzekerden, tweemaal moet procederen.
middel (i)dat Luxemburg op 10 maart 2017 de E101-verklaring met terugwerkende kracht naar 1 januari 2011 heeft ingetrokken. Hij betoogt verder dat (i) de E101-verklaring is afgegeven op basis van de niet voor rijnvarenden geldende Vo.1408/71 in plaats van het voor de belanghebbende geldende Rijnvarendenverdrag (RV), zodat zij ongeldig is, (ii) de E101-verklaring niet is afgegeven op grond van het RV, zodat het overgangsrecht naar de Rvov er niet voor geldt, en (iii) het HvJ EU in de zaak
X en Van Dijk(onderdeel 5.4 van de bijlage) voor recht heeft verklaard dat Nederland niet gebonden is aan een door Luxemburg afgegeven E101-verklaring als het RV van toepassing is. Hij ziet geen reden waarom het oordeel van het HvJ EU anders zou luiden onder de werking van de nieuwe Basisvo. 883/2004, zodat aan de onjuiste E101-verklaring ook na 1 mei 2010 geen rechtskracht toekomt.
middelen (ii), (iii) en (v)onderschrijft de Staatssecretaris’s Hofs r.o. 5.5. De Svb heeft wel degelijk belanghebbendes verzekeringsplicht vastgesteld in een A1-verklaring voor de periode 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2014, die niet is ingetrokken of ongeldig verklaard. De Inspecteur is volgens HR
BNB2019/44 (onderdeel 5.14 van de bijlage) gebonden aan die A1-verklaring. Uit HvJ EU
Alpenrind(onderdeel 5.8 van de bijlage) volgt dat een A1-verklaring terug kan werken in de tijd en ook dan bindend is voor de lidstaat van ontvangst, ook als die lidstaat al – zonder dat in een A1-verklaring neer te leggen - zou hebben vastgesteld dat zijn stelsel van toepassing was.
middel (iv)bestrijdt de Staatssecretaris dat de procedureregels van artt. 6 en 16 Toepassingsvo. 987/2009 van toepassing zijn, gegeven dat (i) de belanghebbende zich niet heeft gemeld bij de Svb, hetgeen een vereiste is voor toepassing van art. 16 Toepassingsvo Pro. 987/2009 en (ii) uit niets blijkt dat de Luxemburgse autoriteit het oneens zou zijn met de Nederlandse A1-verklaring. Art. 6 komt Pro aan de orde als uit het volgen van de procedureregels voor de toepassing van art. 13 Basisvo Pro. zou blijken dat twee lidstaten het niet met elkaar eens zijn. Dat geval doet zich niet voor. Art. 6 geldt Pro niet voor gevallen waarin (i) de werknemer zich ten onrechte niet heeft gemeld bij het bevoegde orgaan van zijn woonstaat, en (ii) de werknemer en diens werkgever besluiten om in een niet-bevoegde lidstaat van hun keuze premies af te dragen en deze premies aldaar in ontvangst worden genomen zonder dat de overige betrokken lidstaten daarover worden geïnformeerd. Volgens de Staatssecretaris was geen sprake van ‘voorlopig’ betaalde premies in de zin van artt. 6 of 73 Toepassingsvo. toen de Svb de A1-verklaring afgaf omdat geen sprake was van enig meningsverschil tussen de bevoegde autoriteiten over de toepasselijke wetgeving.
middel (vi)meent de Staatssecretaris dat aan art. 73 Toepassingsvo Pro. 987/2009 niet wordt toegekomen. Die bepaling gaat over voorlopig betaalde prestaties in geld of voorlopig betaalde premies. Nu de belanghebbende heeft verzuimd zich volgens het voorschrift van art. 16(1) Toepassingsvo. 987/2009 te melden bij de Svb, kan per definitie geen sprake zijn van ‘voorlopige’ premies bedoeld in art. 73. Bij ontbreken daarvan kan men evenmin toekomen aan verrekening ervan ex. art. 73(2). De belanghebbende heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat een meningsverschil tussen Luxemburg en Nederland bestaat in de zin van art. 6 Toepassingsvo Pro. 987/2009. Dat belanghebbendes werkgever werknemersverzekeringen heeft ingehouden in Luxemburg is daartoe onvoldoende. Als al sprake zou zijn van ‘voorlopige’ aanwijzing, kan verrekening alleen aan de orde komen als de definitieve stelselaanwijzing een andere is dan de voorlopige. Daarvan is geen sprake. Het Hof ’s-Hertogenbosch, 28 augustus 2019 (in cassatie aanhanging), heeft art. 73 Toepassingsvo Pro. ten onrechte ook toegepast op een geval waarin de verkeerde wetgeving is toegepast en de betrokkene volgens Vo. 883/2004 in een andere lidstaat verzekerd blijkt te zijn. Tegen die heeft de Staatssecretaris dan ook cassatieberoep ingesteld.
middel (vii)verwijst de Staatssecretaris naar HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:694 waarin u een beroep, op basis van dezelfde gronden, op het EU-beginsel van effectieve en doeltreffende rechtsbescherming, heeft verworpen.
middel (viii)wijst de Staatssecretaris op Hof Den Haag 20 juni 2018, ECLI:NL:GHDHA:2019:2058, dat instemming met overschrijding van de wettelijke beslistermijn een bijzondere omstandigheid achtte die aanleiding kan geven tot verlenging van de redelijke termijn, met verwijzing naar HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2600,
BNB2017/219. Door de instemming kan over de termijn waarop zij ziet niet worden gezegd dat zich spanning en frustratie bij belanghebbende voordoet. U heeft die zaak met art. 81(1) Wet RO afgedaan op 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:523, waarmee u volgens de Minister de uitspraak van Hof bevestigt. Uit HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1732,
V-N2019/58.12 volgt immers dat u zaken die u afdoet met verwijzing naar art. 81 Wet Pro RO inhoudelijk toetst.
middel (i)dat art. 7(2)(a) Vo. 1408/71 niet is overgenomen in de nieuwe Vo. 883/2004 en dat uit de overgangsbepaling art. 6(2) Rvov (zie onderdeel 4.26 van de bijlage) volgt dat een onder het oude regime op basis van het RV afgegeven E101-verklaring onder het nieuwe regime haar geldigheidsduur behoudt. In cassatie moet uitgegaan worden van ’s Hofs feitelijke aanname dat die verklaring niet is ingetrokken. De belastingrechter mag de E101-verklaring niet materieel beoordelen (HR
BNB2019/44, 5.14 bijlage) en de E-101 verklaring is eerder afgegeven dan de door de Svb afgegeven A1-verklaring, zodat de E101-verklaring voorgaat en Nederland bindt.
middelen (ii), (iii), en (v)herhaalt de belanghebbende dat het Hof ten onrechte de bewijslast bij hem heeft gelegd, ten onrechte de Inspecteur ex artt. 57 en 58 Wfsv bevoegd heeft geacht om de verzekeringsplicht vast te stellen en op grond van de Rvov het Nederlandse stelsel van toepassing heeft geacht, nu de belastingrechter de verzekeringsplicht niet materieel mag beoordelen.
middel (iv)meent de belanghebbende dat hij wel degelijk bij de Svb gemeld is zoals bedoeld in art. 16 Toepassingsvo Pro., nl. door de inspecteur die bij brief van januari 2017 de Svb heeft verzocht om op basis van art. 16(6) Toepassingsvo. een verklaring toepasselijke wetgeving af te geven. Dat uit geen enkel stuk blijkt dat Luxemburgs het niet eens is met de A1-verklaring van de Svb betekent niet dat aan de bedoeling van de artt. 6, 16, en 73 Toepassingsvo 987/2009 en de doelstellingen van de Verordeningen kan worden voorbijgegaan. De belanghebbende verwijst naar CRvB van 28 augustus 2019 (onderdeel 5.19 bijlage). Ondanks die melding heeft de Svb de procedure van art. 16 Toepassingsvo Pro niet gevolgd, waarvan volgens de belanghebbende de consequentie is dat Nederland niet mag heffen wegens gebrek aan loyale samenwerking tussen de lidstaten (CRvB 29 december 2017; 5.17 bijlage).
middel (vi)herhaalt de belanghebbende dat hij met de CRvB (zie onderdeel 5.19 van de bijlage) meent dat uit HvJ
Klein Schiphorst(onderdeel 5.6 van de bijlage) en HvJ
Sante Pasquini(5.3 bijlage) volgt dat de belanghebbende niet de dupe mag worden van het niet-naleven door de betrokken lidstaten van regels die de betrekkingen tussen sociale zekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen. Gezien de doelstellingen van Vo. 883/2004 en Toepassinsvo. 987/2009, moet art. 73 (2) Toepassingsvo. 987/2009 toegepast worden.
middel (vii)dat van doelmatige rechtsbescherming geen sprake is omdat in de sociale zekerheidskolom een procedure loopt waarin de dialoog- en bemiddelingsprocedure bij de AC wordt genegeerd, terwijl in de tegelijk lopende fiscale kolom die procedure niet kan worden gevolgd, waardoor de belanghebbende dubbel wordt belast. Er dringt zich zijns inziens een vergelijking op met het schandaal van de kinderopvangstoeslag. Hij geeft een algemene uiteenzetting over de onaanvaardbaarheid van het Nederlandse gebrek aan coördinatie en van het heen en weer gestuurd worden tussen een onwillige Svb en een onbevoegde belastingdienst, die een rechtsstaat onwaardig is en waarvoor de rechter een billijke oplossing moet bieden.
middel (viii)), verwijt de belanghebbende de Staatssecretaris
cherry pickinguit de rechtspraak.
middel (i)dat de belanghebbende blijft miskennen dat onder het RV aan een ten onrechte onder Vo. 1408/71 afgegeven E101-verklaring geen betekenis toekomt (HvJ EU
X en Van Dijk,5.4 bijlage). Dat per 1 mei 2010 art. 7 Vo Pro. 1408/71 niet meer geldt, leidt niet tot een ander oordeel: een niet-bindende verklaring wordt niet alsnog bindend. Het overgangsrecht van art. 6(2) Rvov, op grond waarvan een verklaring op basis van het RV zijn geldigheidsduur kan behouden, kan belanghebbende ook niet baten, omdat de Luxemburgse E101-verklaring geen verklaring overeenkomstig het RV is, zoals art. 6(2) Rvov eist.
middelen (ii), (iii) en (v)herhaalt de Staatssecretaris dat de A1-verklaring van de Svb onherroepelijk vast staat, zodat, gezien HR
BNB2019/44 (zie 5.14 bijlage), de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is.
middelen (vi) en (vii)meent de Staatssecretaris dat de door de belanghebbende opgevoerde problemen van dubbele premieheffing en de (on)mogelijkheden van regularisatie buiten het bereik van deze belastingprocedure vallen.
middel (iv)geen aanvullingen en ziet ad
middel (viii)geen
cherry pickingzijnerzijds.
4.Beoordeling van de middelen
Vooraf
X en Van Dijk(zie 5.4 van de bijlage), althans niet-bindend voor andere lidstaten, als zij, zoals in casu, ten onrechte zijn gebaseerd op de niet op rijnvarenden toepasselijke Vo. 1408/71 in plaats van op het voor rijnvarenden exclusief geldende RV, dat eenduidig en exclusief de scheepsexploitantstaat aanwijst (in casu Nederland).
X en Van Dijk; zie 5.4 bijlage).
aanwijsregels van Vo. 883/2004 worden vervangen door die van de Rvov, maar de procedureregels (overleg, afstemming, bemiddeling, premieterugbetaling en -verrekening) blijven wél van toepassing ook op rijnvarenden. Nederland heeft die procedureregels niet nageleefd en de consequentie daarvan moet zijn dat Nederland geen premie mag heffen, althans minstens de Luxemburgse premies moet verrekenen met de Nederlandse.
tribunal administratifen scheepvaartregister hebben immers expliciet verklaard dat belanghebbendes werkgever
nietals scheepsexploitant beschouwd kan worden en dat de ten onrechte afgegeven
certificats d’ exploitant(die bovendien geen Rijnvaartverklaringen zijn) zijn ingetrokken. Ook hebben de Luxemburgse autoriteiten de onjuiste en ongeldige E101-verklaring met terugwerkende kracht ingetrokken.
X en Van Dijk(zie 5.4 bijlage) en HR
BNB2016/101 (zie 5.4 bijlage) volgt dat Luxemburgse E-verklaringen, afgegeven op basis van de
nietop rijnvarenden toepasselijke oude Vo. 1408/71 (of slechts uit administratief gemak afgegeven), andere lidstaten niet binden en dat het voorbijgaan daaraan door de wél-bevoegde lidstaat - omdat voor rijnvarenden exclusief het RV geldt - geen strijd oplevert met het EU-loyaliteitsbeginsel of enige andere EU-rechtelijke regel. De belanghebbende betoogt dat die voor de stelselaanwijzing irrelevante E-verklaringen ná de inwerkingtreding van de nieuwe Vo. 883/2004 wél en zelfs beslissende betekenis hebben. Ik begrijp het betoog aldus dat de regelgevingstechniek van de nieuwe Vo. 883/2004 en de nieuwe Rijnvarendenovereenkomst een andere is dan die van de oude Vo. 1408/71 en het oude RV: de Rvov schakelt de Verordening niet meer uit, maar alleen diens materiële aanwijsregels (art. 11 t/m 15 Vo. 883/2004) en niet de procedureregels, zodat de betekenis van die tot 1 mei 2010 ongeldige verklaringen na die datum beoordeeld moeten worden op basis van de nieuwe procedureregels, die inhouden dat anterieure verklaringen van andere lidstaten de lidstaten binden.
Toepassingsvo. 987/2009 relevant zou zijn en dat de inspecteur die zou kunnen volgen. Die bepaling dient voor de toepassing van art. 13
Basisvo. 883/20014, die gaat over personen die in twee of meer lidstaten werken. Die bepaling is echter niet van toepassing op rijnvarenden. Art. 13 Basisvo Pro. 883/2004 is opgenomen in titel II (“Vaststelling van de toepasselijke wetgeving”). Die titel geldt niet voor rijnvarenden. De Rijnoeverlidstaten hebben voor rijnvarenden immers op basis van art. 16
Basisvo. 883/2004 (de
uitzonderingsprocedure; dus niet de
regularisatieprocedure ex art. 16
Toepassingsvo.) alle aanwijsregels van de artt. 11 t/m 15 Basisvo. 883/2004 uitgeschakeld, dus ook die van art. 13. Zij hebben daarvoor in de plaats gesteld de aanwijsregel van art. 4 Rvov Pro, die gelijk luidt aan die van diens voorganger art. 11 RV Pro.
reguliereuitkomst: het exclusief toepasselijke art. 11 Rvov Pro wijst onbetwist de scheepsexploitantstaat aan, en dat is onbetwist Nederland. Maar er valt niets te ‘regulariseren’, nu de Rvov juist een
uitzonderingex art. 16 Basisvo Pro. 883/2004 is op de reguliere aanwijsregel van art. 13 Basisvo Pro., juist
omjurisdictieconflicten en de noodzaak van regularisatie te voorkomen.
uitzonderingsprocedure ex art. 16
Basisvo. 883/2004 te volgen (opnieuw, in aanvulling op het reeds op die bepaling gebaseerde Rvov) als dat in het financiële “belang” van een individuele werknemer is, lijkt mij onjuist. De lidstaten zijn niet verplicht elke grensoverschrijdende werknemer te helpen stelsel
shoppen. Het gaat in art. 16 Vo Pro. 883/2004 om een ander ‘belang’. De lidstaten hebben de Rvov gesloten ter voorkoming van het voortdurend wisselen van de toepasselijke wetgeving als gevolg van het voortdurend grensoverschrijdende karakter van de werkzaamheden van rijnvarenden, welke versnippering niet in hun belang zou zijn.
naar analogievan de regularisatie-procedure op verzoek voorlopig een stelsel aangewezen moet worden, gevolgd door kennisgeving aan en overleg met de andere Staat. Dat geval doet zich in casu echter om drie redenen niet voor: (i) er is wél een A1-verklaring, die Nederland aanwijst; (ii) belanghebbende(s werkgever) heeft geen zodanig verzoek gedaan maar is in strijd met de regels voor rijnvarenden in een lidstaat van zijn keuze gaan inhouden, en (iii) Luxemburg is geenszins van mening dat de scheepsexploitant in Luxemburg is gevestigd en dus geenszins van mening dat Luxemburg exclusief bevoegd zou zijn, zodat er geen jurisdictieconflict is dat weggenomen of gearbitreerd zou kunnen worden.
Klein Schiphorst(onderdeel 5.6 bijlage) lijkt mij op dit punt
neither here nor there, omdat het in het algemeen verklaart dat EU-rechtelijke bepalingen niet alleen naar hun bewoordingen, maar ook in hun context en naar hun doelstelling moeten worden uitgelegd, hetgeen wij al gedacht hadden en het Hof mijns inziens niet heeft nagelaten.
Sante Pasquini(onderdeel 5.3 van de bijlage) lijkt mij evenmin relevant, nu dat om een schending van het gelijkwaardigheids-beginsel bij terugvordering van teveel betaalde pensioenuitkeringen ging: door nalatigheid van de Italiaanse autoriteiten was twaalf jaar een te hoog pensioen aan een (ex)werknemer met grensoverschrijdend arbeidsverleden betaald. Zo’n fout zou zich in een puur binnenlands geval ook kunnen voordoen, maar niet zo langdurig, door een beter procedure, zodat in binnenlandse verhoudingen alleen over kortere periodes teruggevorderd zou worden uit onverschuldigde betaling. De onjuiste premieheffing in Luxemburg wordt echter niet veroorzaakt door Nederland, maar door belanghebbende(s werkgever) en de Luxemburgse autoriteiten, waarvoor Nederland, anders dan de Italiaanse overheid in de zaak
Sante Pasquiniter zake van de ongelijke perioden waarover herstel nodig bleek, geen verantwoordelijk kan worden toegedicht.
kanvoordoen. Dat er twee procedures nodig zijn, is dus geen procedurele discriminatie, maar een onvermijdelijk gevolg van een evident objectief verschil in situaties.
kunnenvoordoen) door in HR
BNB2019/44 (zie 5.14 bijlage) te oordelen dat de belastingrechter ofwel zijn uitspraak moet uitstellen totdat de stelselaanwijzing definitief is, ofwel – als hij niet heeft gewacht en een andersluidende CRvB-uitkomst volgt – zijn uitspraak moet herzien.