Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
9 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van poging diefstal met geweld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof het beroep op vrijwillige terugtred terecht had verworpen en verwierp dit middel zonder nadere motivering. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Hierdoor was de redelijke termijn overschreden, wat een vermindering van de straf rechtvaardigde. De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verminderde de gevangenisstraf tot zeventien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot zeventien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens overschrijding redelijke termijn.