Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbetreft het derde feit en klaagt dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de uitlatingen van de verdachte bij de aangever (verbalisant) naar objectieve maatstaven een redelijke vrees konden doen ontstaan dat hij het leven zou verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen bij een eventueel volgende ontmoeting met de verdachte.
NJ2008/598 op dat het er veel van weg heeft dat de omstandigheden waaronder de bedreiging is geuit als een aanvulling op en verdere versterking van de door de verdachte geuite woorden dienen te worden beschouwd, en niet als factoren die aan de als zodanig bedreigende bewoordingen het bedreigende karakter kunnen ontnemen. [2]
tweede middelziet op het eerste feit en klaagt dat het hof ten onrechte het beroep op vrijwillige terugtred heeft verworpen, althans dat ’s hofs oordeel dienaangaande onbegrijpelijk is.
Beroep op vrijwillige terugtred
vrijwilligis teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten. Bij de beantwoording van de vraag of van zodanig optreden sprake is, is mede van belang of en zo ja in welke mate het waarschijnlijk is dat het gevolg zou zijn ingetreden ná de uitvoeringshandelingen van de verdachte maar vóór de gedragingen waarop het beroep op vrijwillige terugtred is gebaseerd. Hoe waarschijnlijker een dergelijk intreden van het gevolg is, des te minder ligt het in de rede om vrijwillige terugtred aan te nemen. [3]
NJ2014/205, m.nt. Keijzer of in de door Smith geschetste situatie de rechter toekomt aan de vraag of sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Volgens Bleichrodt zal het doorgaans meer voor de hand liggen dat de vervolging in een dergelijk geval reeds strandt wegens het ontbreken van het voor voorbereiding benodigde opzet, nu dit opzet bij voorbereiding meer in het algemeen in samenhang moet worden bezien met de vrijwillige terugtred; een visie die ik deel. In dit verband wijs ik ook nog op de slotsom van Machielse in NLR: “Hoe dichter in de voorbereiding het begin van uitvoering is genaderd, des te minder gemakkelijk het zal zijn om het voltooien op eigen inkeer te baseren”. [10]
NJ2014/205, m.nt. Keijzer ging het om een verdachte die in hoger beroep veroordeeld was voor onder meer voorbereiding van zware mishandeling. Hij was met een geladen vuurwapen naar de flat van X (het beoogde slachtoffer) gegaan en had daar vier uur op X gewacht. X verscheen echter niet, waarop de verdachte vertrok. De verdachte verklaarde later dat hij was weggegaan omdat hij X niets wilde aandoen. Het beroep op vrijwillige terugtred van de verdachte werd door het hof verworpen. Daarbij stelde het hof voorop dat indien een verdachte, zoals in het toen voorliggende geval, zich geruime tijd in het bezit van een vuurwapen in de nabije omgeving van het beoogde slachtoffer bevindt ter voorbereiding van een geweldsmisdrijf, aanmerkelijke eisen dienen te worden gesteld aan de wijze waarop wordt teruggetreden. Uit de verklaringen van de verdachte volgde echter slechts dat hij na verloop van tijd en zonder dat het misdrijf was voltooid, was weggegaan. Dat moet, zo overwoog het hof, als onvoldoende worden aangemerkt om een beroep op vrijwillige terugtred te doen slagen, waarbij in aanmerking werd genomen dat uit die verklaringen niet valt af te leiden dat de verdachte zich van het wapen had ontdaan, noch dat hij zich had verstaan met de personen die hem het wapen ter hand hadden gesteld. De Hoge Raad overwoog (rov. 2.5) dat het hof in zijn vaststellingen en overwegingen mede tot uitdrukking had gebracht dat het beroep op vrijwillige terugtred diende te worden verworpen omdat de voorgenomen zware mishandeling van het beoogde slachtoffer niet was voltooid ten gevolge van de, niet van de wil van de verdachte afhankelijke, omstandigheid dat X niet was verschenen, en oordeelde (rov. 2.6) dat ‘s hof verwerping van het beroep op de exceptie van art. 46b Sr niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend was gemotiveerd.
pogingen vrijwillige terugtred ook gevallen voorkomen waarin van buiten komende – dus van de wil van de dader onafhankelijke – factoren, die mede ertoe hebben geleid dat het misdrijf niet is voltooid, niet aan vrijwillige terugtred in de weg behoeven te staan. Mijn ambtgenoot Bleichrodt haalt in zijn conclusie vóór HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:550 het voorbeeld aan waarin de verdachte het dichtknijpen van de keel van een vrouw staakt omdat hij gehoor geeft aan de smeekbeden van een toekijkend kind. [11] Daarvan dient wel scherp te worden onderscheiden de casus waarin sprake is van angst voor ontdekking of het niet kunnen effectueren van het voorgenomen feit doordat het feit reeds is afgeketst op een van de wil van de verdachte onafhankelijke omstandigheid. Ook daarvan zijn – wederom betreffende de poging – voorbeelden te noemen: de juwelendief merkt dat de kluis leeg is (van vrijwillige terugtred zal dan geen sprake meer kunnen zijn); de voorgenomen moord wordt niet voltooid omdat het beoogde slachtoffer afwezig is. [12] Daaraan kan de casus van HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:550 worden toegevoegd: de overval kan geen doorgang vinden vanwege de omstandigheid dat de eigenaar van de juwelierszaak hevig verzet biedt of doordat de deur tussen de sluis en het winkelgedeelte gesloten blijft zolang de buitendeur open is.