Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het beroep op vrijwillige terugtred ten onrechte, althans onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen.
Stb. 60. [2] De wetgever koos voor de opname van een exceptie voor zowel poging als voorbereiding. Daarmee werd afgeweken van de regeling die voordien alleen voor poging gold en waarin de afwezigheid van vrijwillige terugtred als een (negatief) bestanddeel was opgenomen (art. 45 (oud) Sr). Het procesrechtelijke gevolg van deze gewijzigde formulering is dat niet langer ten laste gelegd en bewezen verklaard hoeft te worden dat sprake is geweest van het ontbreken van vrijwillige terugtred. Doorslaggevend is of aannemelijk is geworden dat sprake is van vrijwillige terugtred. [3] Gelet op de rubricering als exceptie, ligt het in beginsel op de weg van de verdachte feiten en omstandigheden aan te voeren die kunnen leiden tot het oordeel dat aannemelijk is dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Als de voltooiing van het misdrijf reeds is afgeketst op een van de wil van de dader onafhankelijke omstandigheid, bijvoorbeeld omdat een voorgenomen slachtoffer niet aanwezig blijkt te zijn, zal van een vrijwillige terugtred geen sprake meer kunnen zijn. [4] In geval van een voltooide poging is voor het aannemen van vrijwillige terugtred veelal een zodanig optreden van de verdachte vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten. [5] Bij medeplegen is dat niet anders, terwijl daarbij voor de medepleger geldt dat de “omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk” als bedoeld in art. 46b Sr - behoudens in bijzondere gevallen - alleen in aanmerking komen ten aanzien van hem van wiens wil die omstandigheden daadwerkelijk afhankelijk zijn. [6]
twee middelbevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.