ECLI:NL:HR:2019:558

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2019
Publicatiedatum
8 april 2019
Zaaknummer
17/03714
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in plofkraakzaak

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor onder meer het plegen van een plofkraak op een pinautomaat. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend met betrekking tot de duur van de opgelegde straf, en tot vermindering daarvan naar een gebruikelijke maatstaf.

De Hoge Raad beoordeelde onder meer de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. Gezien het feit dat de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef en meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden.

Dit leidde tot de vermindering van de gevangenisstraf van 80 maanden naar 76 maanden. De overige middelen van het cassatieberoep werden verworpen, omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en sprak het arrest uit op 9 april 2019, gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer.

Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd van 80 naar 76 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

9 april 2019
Strafkamer
nr. S 17/03714
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 juli 2017, nummer 20/002303-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het vijfde middel
2.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 80 maanden.

3.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze 76 maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 april 2019.