Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
9 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor onder meer het plegen van een plofkraak op een pinautomaat. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend met betrekking tot de duur van de opgelegde straf, en tot vermindering daarvan naar een gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad beoordeelde onder meer de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. Gezien het feit dat de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef en meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden.
Dit leidde tot de vermindering van de gevangenisstraf van 80 maanden naar 76 maanden. De overige middelen van het cassatieberoep werden verworpen, omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en sprak het arrest uit op 9 april 2019, gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd van 80 naar 76 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.