Conclusie
eerstemiddel klaagt over de verwerping van het beroep op noodweer bij feit 1. Het
tweedemiddel klaagt over de bewijsmotivering van feit 2. Voor een goed begrip van de zaak geef ik, alvorens beide middelen te bespreken, eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, ’s hofs bewijsoverweging en de overweging die het hof aan de strafbaarheid van de verdachte heeft gewijd weer.
Ten aanzien van feit 1:
aangifte door [slachtoffer 1] van 13 maart 2017, als opgenomen in het door [verbalisant 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar, op 13 maart 2017 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, (…) voor zover van belang inhoudende:
verklaring van [slachtoffer 2] van 13 maart 2017, als opgenomen in het door [verbalisant 2] , brigadier, op 13 maart 2017 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal, (…) voor zover van belang inhoudende:
BFK: moment) zag ik de man over de Elferinksweg ter hoogte van de Albert Heijn lopen. Mijn man rende naar de man toe. Ik zag ook dat de politie tegelijk ter plaatse kwam.
relaas van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden brigadier, als opgenomen in het door hen op 12 maart 2017 op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal, (…) voor zover van belang inhoudende:
een [slachtoffer 1] betreffende geneeskundige verklaringvan 16 maart 2017, voor zover van belang inhoudende:
aangifte door [slachtoffer 2] van 13 maart 2017als opgenomen in het door [verbalisant 2] , brigadier, op 13 maart 2017 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal, (…) voor zover van belang inhoudende:
relaas van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] ,beiden brigadier, als opgenomen in het door hen op 12 maart 2017 op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, (…) voor zover van belang inhoudende:
Standpunt van de advocaat-generaal
verdachteopzij wordt geduwd en dat
verdachteaangever een schop geeft. Het proces-verbaal is naar het oordeel van het hof op dat punt helder. Nu de raadsman is uitgegaan van een onjuiste lezing van de feiten, vervalt daarmee de onderbouwing van het verzoek.
eerstemiddel betreft als gezegd de verwerping van het beroep op noodweer bij feit 1. De steller van het middel klaagt dat het hof het beroep op noodweer niet expliciet en met zoveel woorden als zodanig heeft verworpen.
Feit 1/ Noodweer
door een schop terwijl hij stond, terwijl hij lagof omdat
hij viel omdat verbalisant [verbalisant 3] aan hem trok(zoals gerelateerd). Dus hooguit eenvoudige mishandeling, naar mening van de verdediging is de rechtbank hier iets te snel doorheen gegaan.
17. Bespreken vereisten noodweer
een aanranding: cliënt zelf heeft met betrekking tot de aanranding verklaard dat hij werd aangevallen door een onbekende man. [slachtoffer 1] heeft het over in stevige pas naar cliënt lopen.
ogenblikkelijk: de noodweerhandeling is eerst toegestaan vanaf het moment dat de aanranding is aangevangen of dadelijk dreigt te beginnen. In onderhavige zaak was de aanval al begonnen.
wederrechtelijkheid en het gericht zijn tegen een eigen of andermans lijf: er was sprake van een wederrechtelijke aanranding van het lijf van cliënt. Dit is dus ook geen discussiepunt.
doel van verdediging/ noodzakelijk: Een belangrijk punt is die van de subsidiariteit en de proportionaliteit. De verdediging heeft hiervoor al bepleit dat dit lastig beoordelen is omdat de verklaringen over wanneer een schop gegeven is uit elkaar lopen. Maar kon cliënt anders handelen en heeft hij niet meer geweld gebruikt dan nodig is?
NJ2016/316 m.nt. Rozemond heeft Uw Raad onder meer overwogen (met weglating van voetnoten):
tweedemiddel klaagt dat het hof ten onrechte althans onbegrijpelijk gemotiveerd het verweer van de verdediging heeft verworpen dat bij feit 2 niet is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv.
4.De verdediging begint in een andere volgorde, met feit 2, omdat niet voldaan kan worden aan het bewijsminimum.
5. Want wat ligt er in het dossier als bewijs?
enkel de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2]. Alles is te herleiden naar enkel haar verklaring.
NJ2012/252 m.nt. Schalken. Bewezen was verklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening een scooter had weggenomen. Deze bewezenverklaring berustte in de kern op de verklaring die de medeverdachte tegenover de politie had afgelegd. Daarin verklaarde deze dat hij de betreffende scooter samen met de verdachte uit een nader omschreven voortuin had gestolen. Uw Raad oordeelde dat niet kon worden gezegd dat de verklaring van de medeverdachte onvoldoende steun vond in het overige bewijsmateriaal, in aanmerking genomen dat dit inhield dat de scooter die de medeverdachte ‘na de confrontatie met de politie had achtergelaten en waarover hij in zijn verklaring spreekt, bij navraag bij de Rijksdienst voor het wegverkeer op naam bleek te zijn gesteld van degene die aangifte had gedaan van de diefstal van haar scooter, en dat zij deze scooter ook als de hare heeft erkend’. [5]
NJ2014/328 m.nt. Rozemond was ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat hij aangeefster tegen haar buik heeft gestompt, terwijl zij zwanger was, waardoor zij pijn heeft ondervonden. Steunbewijs was de verklaring van een buurman, inhoudend dat aangeefster toen zij zwanger was een keer huilend en verkrampt met haar handen op haar buik aan de voordeur stond en zei dat verdachte haar in haar buik had geschopt. Uw Raad oordeelde dat niet kon worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster onvoldoende steun vond in het overige bewijsmateriaal. In een latere noot is Rozemond uitgebreid ingegaan op rechtspraak waarin steunbewijs dat ziet op waarnemingen van emoties al dan niet toereikend is geoordeeld. [6] Rozemond brengt de relevantie van waargenomen emoties in verband met twee ervaringsregels: (1) na een aanranding zijn slachtoffers vaak hevig geëmotioneerd; (2) door verloop van tijd verliezen de emoties aan kracht.
NJ2019/23 m.nt. Rozemond was bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer had gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen; hij had zijn handen onder de broek en het ondergoed van aangeefster gebracht en vervolgens haar schaamstreek betast. Uw Raad wijst erop dat het hof naast de verklaring van aangeefster onder meer tot het bewijs heeft gebezigd de verklaring van de verdachte ‘dat hij naar de woning van aangeefster is toegegaan en haar van achter heeft ‘beetgepakt en opgebeurd’ om iets uit de kast te pakken’. Dat leverde in combinatie met verklaringen van twee getuigen omtrent kort na het incident bij aangeefster waargenomen emoties toereikend steunbewijs op.
NJ2018/297 m.nt. Rozemond waren ten laste van de verdachte zedendelicten bewezenverklaard die onder meer bestonden uit seksueel binnendringen. Uw Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat de ‘aanwezigheid van de verdachte in het bijzijn van de aangeefster in zijn woning, op een camping en in zijn vakantiehuisje, en de – niet op specifieke omstandigheden betrekking hebbende – verklaring van de dochter van de verdachte over diens “dwingende, geen weigering duldende handelwijze”’ het vereiste steunbewijs opleverde, niet zonder meer begrijpelijk was. Rozemond noemt in zijn noot onder
NJ2018/298 (nr. 4) als mogelijke verklaring voor het oordeel van Uw Raad dat de informatie over de aanwezigheid van aangever en verdachte in hetzelfde huis te algemeen was om voldoende steun te bieden voor seksueel misbruik. Mij lijkt in dat kader relevant dat de verdachte (huis)vriend en collega van de vader van aangeefster was; mede tegen die achtergrond lag in zijn aanwezigheid geen voldoende belastende aanwijzing besloten.
NJ2010/612 m.nt. Borgers, waarin net als in de onderhavige zaak het tonen van een ontbloot geslachtsdeel centraal stond. Onder de bewijsmiddelen zijn verklaringen opgenomen van een meisje van negen jaar oud en haar vader. Daaruit blijkt dat zij, haar broer en een vriendinnetje bezig waren een sleutel uit de put te halen toen een man van ongeveer 50 jaar bij hen bleef staan. Op een gegeven moment liet de man zijn piemel zien aan het meisje. De volgende dag ziet het meisje de man lopen in het centrum van Waalwijk; haar moeder en een kennis houden de verdachte vervolgens aan. De verdachte verklaart ter terechtzitting in hoger beroep onder meer dat hij naar de kinderen toe is gelopen en bij de put is blijven staan. De broer van het meisje verklaart dat zijn zusje en haar vriendinnetje vies keken toen zij van de man wegliepen; dat hij toen gezegd heeft “wat doen jullie dom” en dat hij zijn zusje toen tegen hem hoorde zeggen “dat de man zijn piemel had laten zien”. Uw Raad oordeelde dat in dit geval niet gezegd kon worden dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van het slachtoffer onvoldoende steun vonden in het overige gebezigde bewijsmateriaal.