Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 juni 2018, waarin het hof uitspraak deed over het hoger beroep van de Inspecteur tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland. Het geschil betrof de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en belastingrente voor de jaren 2008, 2009, 2010 en 2012.
De Hoge Raad ontving het beroepschrift en het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën, alsmede een conclusie van repliek van belanghebbende. De Advocaat-Generaal concludeerde op 25 februari 2019 tot ongegrondverklaring van het beroep. Belanghebbende reageerde schriftelijk op deze conclusie.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens zag de Hoge Raad geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten.
Het arrest werd gewezen door vice-president G. de Groot als voorzitter en raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2019.