Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB1988/321. Zij verminderen het ex art. 6.31 Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) aftrekbare bedrag aan uitgaven voor monumentenpanden. In geschil is (i) hoe huurderslasten moeten worden bepaald in het geval van een monumentaal park en (ii) in hoeverre zij worden verminderd door toerekening ervan aan werkzaamheden van onbetaalde vrijwilligers die mede het park onderhouden.
BNB1988/321. [2] De wijze van bepalen van de omvang van de huurderslasten kon de Rechtbank echter niet afleiden uit de Amsterdamse uitspraak omdat die zaak in een compromis eindigde. Volgens de Rechtbank heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de onderhoudskosten voor meer dan € 400 bestaan uit huurderslasten. Zij heeft de beroepen van belanghebbende gegrond verklaard.
allekosten zien op instandhouding van de monumentale parkelementen en niet op gebruik en genot van het park, rust dan op de belanghebbende, die ten onrechte lijkt te menen dat als geen geschil bestaat over het totaal van de kosten, de inspecteur moet bewijzen dat en in hoeverre er onder die totale kosten niet-aftrekbare huurderslasten zitten. Die opvatting is onjuist. De belanghebbende moet aannemelijk maken ofwel dat zich geen gebruik en genot van het park door hem en de zijnen heeft voorgedaan, ofwel per kostenpost/factuur aangeven of en in hoeverre die ziet op instandhouding van de monumentale parkelementen dan wel op normaal parkonderhoud. Ik maak uit het dossier op dat hij dat niet heeft gedaan, maar slechts algemene stellingen heeft betrokken.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Wetteksten en parlementaire geschiedenis
van toepassing is. [6]
5.Beleid
6.Rechtspraak
BNB1988/321 [18] overwoog u over de aftrek van monumentenkosten onder art. 42a(7) (toen lid 6) Wet IB 1964 als volgt over de kosten van onderhoud dat in huurdersverhoudingen geacht wordt gedaan te worden door de huurder (de
réparations locatives):
BNB1988/321).
7.Box 1 of box 3 en aldaar vrijgesteld (middel (iii))?
drempelwel af van box 1 of box 3 indeling (zie de wetteksten in 4.6 en 4.7 hierboven). In 2012 is die wettelijke drempel geüniformeerd (zie 4.8 hierboven).
(Het bewijs van) de omvang van de niet-aftrekbare huurderslasten bij een monumentaal park (middelen (i) en (ii))
BNB1988/321 (zie 6.2) volgt dat slechts die drukkende onderhoudskosten in aftrek komen die van invloed zijn geweest op de berekening van de forfaitaire inkomsten uit eigen woning of uit (ander) vermogen. Daartoe behoren niet “de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen, zoals tuinonderhoud, behangen, binnenverf- en witwerk en kleinere reparaties”. Hoe de omvang van die huurderslasten te bepalen, liet u in het midden. Om welke kosten het precies gaat, is te minder duidelijk bij een monumentaal park, waar in het algemeen niet behangen wordt, noch binnenverf- en witwerk of kleine reparaties plaatsgrijpen, en waarvoor dus alleen de term ‘tuinonderhoud’ enig houvast biedt. Die term lijkt echter elke aftrek uit te sluiten, nu ‘parkonderhoud’
albelanghebbendes kosten lijkt te omvatten.
BNB1999/94 (zie 6.3) en HR
BNB1999/357 (zie 6.4) volgt dat de aftrekbare onderhoudskosten de kosten zijn voor werkzaamheden die ertoe hebben gestrekt om een onroerende zaak, zoals deze bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen en aldus de ingetreden achteruitgang en verder verval te voorkomen en uit de parlementaire geschiedenis van art. 6.31(3) Wet IB 2001 (zie 4.11 hierboven) volgt dat de omschrijving van de kosten in die bepaling aan de invulling van bovengenoemde arresten is ontleend. Het Hof Amsterdam (zie 6.5) heeft dat voor monumentale parken vertaald als: de kosten die zien op de aard en de instandhouding van de monumentale elementen van het park, met uitsluiting van de uitgaven die zien op het gebruik en het genot van het park. Gezien de rechtspraak en de parlementaire geschiedenis waarop dat Hof zich baseerde, lijkt mij dat een rechtskundig correcte maatstaf, die ook aangelegd is door het Hof in de thans te beslissen zaak.
welkgebruik en genot de belanghebbende en zijn familie, vrienden, zakenrelaties en andere bezoekers van het park precies hebben (gehad) in al die jaren en de gemaakte kosten te splitsen in vooral ziende op dat gebruik en genot en vooral ziende op instandhouding van de voor de buitenplaats van algemeen belang geachte elementen genoemd in het aanwijzingsbesluit. Daar moesten we misschien maar niet aan beginnen.
9.Toerekening van vrijwilligerswerkzaamheden? (middel (iv))
réparations locativestoegerekend worden en dus aan de eigenaarswerkzaamheden moeten worden toegerekend),
bijgeteldmoeten worden bij de wél aftrekbare ‘drukkende’ kosten. Dat lijkt mij niet de bedoeling. Gratis vrijwilligers, hoe lofwaardig hun werk ook, veroorzaken geen kosten, die dus ook niet ‘drukken’, en zonder ‘drukkende kosten’ bestaat geen toegang tot art. 6.31 Wet IB 2001, ook niet indirect via een korting op de niet-aftrekbare huurderslasten.
niet‘gedrukt’ hebben.