ECLI:NL:HR:2019:62

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2019
Publicatiedatum
17 januari 2019
Zaaknummer
17/02767
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29f AWRArt. 2 lid 1 letter a Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling Staatssecretaris in proceskosten na intrekking cassatieberoep

De Staatssecretaris van Financiën had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak over teruggaaf van omzetbelasting, maar trok dit beroep in. Belanghebbende verzocht de Hoge Raad om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten die zijn gemaakt voor het cassatiegeding en om vergoeding van wettelijke rente over eerder toegekende proceskosten.

De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 29f AWR alleen proceskosten voor het cassatiegeding vergoed kunnen worden en dat wettelijke rente over proceskosten van eerdere instanties niet kan worden toegewezen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van het standaardtarief voor proceskostenvergoeding rechtvaardigden.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten voor het cassatiegeding, vastgesteld op €1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het verzoek om wettelijke rentevergoeding werd afgewezen omdat dit niet onder artikel 29f AWR valt en belanghebbende dit had moeten verzoeken bij het Hof.

Uitkomst: De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het cassatiegeding, vastgesteld op €1.024, zonder vergoeding van wettelijke rente.

Uitspraak

18 januari 2018
Nr. 17/02767
Arrest
gewezen op het hierna vermelde verzoek van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende).

1.Verzoek

De Staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 4 mei 2017, nr. 15/01368, betreffende een beschikking op een verzoek van belanghebbende om teruggaaf van omzetbelasting over de periode 27 juni 2013 tot en met 30 september 2013. Hij heeft dat beroep ingetrokken. Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep in cassatie.
Verder heeft belanghebbende verzocht de Staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over de door het Hof aan belanghebbende toegekende kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het verzoek

2.1.
De Hoge Raad ziet, gelet op de inhoud van het procesdossier en de gegevens die door partijen op dit punt zijn verstrekt, aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken.
Belanghebbende heeft verzocht het te vergoeden bedrag te stellen op dat van de werkelijk gemaakte proceskosten.
2.2.
Op grond van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wordt een vergoeding toegekend met inachtneming van het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief. In bijzondere omstandigheden kan daarvan op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit worden afgeweken.
2.3.
De omstandigheid dat de Inspecteur, zoals belanghebbende stelt, ter zitting van het Hof niet ermee heeft ingestemd met het voorstel van belanghebbende om de zaak aan te houden totdat de Hoge Raad arrest zou hebben gewezen in de procedure met nr. 15/05937, is niet een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Ook overigens is niet gebleken dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan.
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, zal de Hoge Raad de vergoeding voor de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep in cassatie vaststellen met inachtneming van het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief.
2.5.
Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van wettelijke rente over de door het Hof aan belanghebbende toegekende kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof komt niet voor inwilliging in aanmerking. Artikel 29f AWR, waarop het verzoek is gebaseerd, strekt zich niet uit tot veroordeling van de Staatssecretaris in een dergelijke vergoeding. Belanghebbende had het Hof, dat de verplichting tot vergoeding van proceskosten heeft vastgesteld, moeten verzoeken te beslissen dat de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum waarop zijn uitspraak is gedaan, indien die vergoeding niet tijdig wordt voldaan (vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, rechtsoverweging 2.2.3).

3.Beslissing

De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.