Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 15 september 2020
[verzoekster] ,
Shell International B.V.,
Verloop van het geding in hoger beroep
Beoordeling van het hoger beroep
‘ [functie 1]tegen een salaris van € 5.158,42 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag en een dertiende en veertiende maand en exclusief een variabele beloning van gemiddeld € 709,94 bruto per maand.
‘ [functie 2]( [functie 2] ) voor [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1] ). Toen [betrokkene 1] in 2009 werd benoemd tot
‘ [functie 3] ’( [functie 3] ) van Royal Dutch Shell (RDS) heeft hij [verzoekster] gevraagd zijn [functie 2] te blijven en hem te vergezellen naar het hoofdkantoor in Den Haag. [verzoekster] werd aldus
‘ [functie 4] ’van de [functie 3] .
‘ [functie 5] ’van de [functie 3] . In die hoedanigheid rapporteerde zij aan [verzoekster] .
‘ [functie 4] ’resp.
‘ [functie 5] ’van de [functie 3] en aldus voor [betrokkene 3] gaan werken.
‘ [functie 6] to RDS [functie 3] ’. In die hoedanigheid is hij deel gaan uitmaken van het team rond [betrokkene 3] , dat tot dat moment werd gevormd door [verzoekster] en [betrokkene 2] . Tussen [betrokkene 4] enerzijds en [verzoekster] en [betrokkene 2] anderzijds bestond geen hiërarchische verhouding.
‘front office’.
necessaryto reach our common goal.
‘ [functie 7] ’, [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ).
[functie 5]’.
‘ [functie 8] ’(verder: [betrokkene 6] ). Op 11 oktober 2018 heeft [betrokkene 6] een bespreking gehad met [verzoekster] en haar advocaat, mr. Feenstra. Tijdens deze bespreking zijn drie scenario’s aan de orde geweest, te weten (1) terugkeer in de functie van [functie 2] van [betrokkene 3] (hetgeen de inzet van [verzoekster] was), (2) herplaatsing in een vergelijkbare functie en (3) beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden. In aansluiting hierop heeft [betrokkene 6] bij e-mail van 18 oktober 2018 onder meer het volgende aan mr. Feenstra geschreven:
‘Open Resourcing’(OR) – de interne vacturebank van Shell – voor [verzoekster] open gesteld.
- Als [functie 4] van de [functie 3] had [verzoekster] bij uitstek een ondersteunende vertrouwensfunctie waarbij mocht worden verwacht dat zij handelt in lijn met de wensen en belangen van de [functie 3] en ervoor zorgt dat zij de stress bij de [functie 3] beperkt in plaats van opbouwt, dat zij “ontzorgt”. Voor een goede samenwerking tussen een [functie 2] en de persoon die zij ondersteunt is een vertrouwensrelatie en wederzijds begrip vereist.
- [verzoekster] heeft echter sinds maart 2017 laten zien dat haar manier van handelen en haar gedrag ver af staan van die [betrokkene 3] en dat zij niet bereid of in staat is gebleken zich aan te passen aan [betrokkene 3] . [verzoekster] staat niet open voor andere handelwijzen en gedrag dan die van haarzelf en handelt niet naar de wensen van [betrokkene 3] . Zij is voorstander van harde, confronterende, botte en soms zelfs agressieve communicatie, terwijl [betrokkene 3] onder meer transparantie en attentie belangrijk vindt.
- Ondanks het feit dat [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zich gedurende het afgelopen anderhalf jaar hebben ingespannen voor verbetering is tussen [betrokkene 3] en [verzoekster] nooit de werkrelatie ontstaan die nodig is om samen goed te functioneren. Bij [betrokkene 3] ontbreekt inmiddels ieder vertrouwen dat daarin alsnog verbetering zal kunnen komen. Geconcludeerd moet dan ook worden dat de karakters van [betrokkene 3] en [verzoekster] dermate botsen dat zij niet op een deugdelijke wijze met elkaar kunnen samenwerken.
- Daarbij komt nog dat het gedrag van [verzoekster] voor [betrokkene 2] reden is geweest om met haar werk als [functie 5] voor [betrokkene 3] te stoppen, en dat ook [betrokkene 4] heeft aangegeven niet goed met [verzoekster] te kunnen samenwerken. Ook andere [functie 2] ’s op de
- Voor zover van een verstoorde arbeidsverhouding geen sprake is, moet in elk geval worden vastgesteld dat de vereiste ‘klik’ tussen [verzoekster] en [betrokkene 3] ontbreekt, zodat de arbeidsovereenkomst om die reden dient te eindigen. Een [functie 2] werkt immers in een zo nauw verband met haar of zijn leidinggevende, dat deze samenwerking niet functioneert zonder deze ‘klik’. Het ontbreken daarvan kwalificeert dan ook als een ‘andere omstandigheid’ in de zin van art. 7:669 lid 3 sub h BW Pro.
- Shell heeft zich bereid getoond [verzoekster] in aanmerking te laten komen voor diverse [functie 2] -vacatures binnen haar organisatie. Gelet op de aard van deze functie en de voor een goede vervulling daarvan vereiste klik heeft zij daarbij wel de voorwaarde gesteld dat [verzoekster] eerst een gesprek met de betrokken leidinggevende zal hebben. [verzoekster] weigert die voorwaarde te accepteren en is dergelijke gesprekken uit de weg gegaan. Daarmee is herplaatsing niet mogelijk gebleken.
primairde verzochte ontbinding af te wijzen en Shell te veroordelen haar weer toe te laten tot haar functie als [functie 4] van de [functie 3] althans haar alsnog te herplaatsen in een passende functie binnen Shell en
subsidiair, voor het geval het verzoek tot ontbinding onverhoopt wordt toegewezen, Shell te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding ex art. 7:671b lid 8 sub c BW van € 188.029,40.
‘executive level’dat hier aan de orde is, nauw met zijn of haar leidinggevende moet kunnen samenwerken. Aannemelijk is dan ook dat voor een goede samenwerking tussen een [functie 2] en de persoon die zij ondersteunt, een vertrouwensrelatie en wederzijds begrip vereist is. Dat de arbeidsverhouding inmiddels duurzaam is verstoord, heeft Shell wel aannemelijk gemaakt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er geen draagvlak meer bestond voor verdere samenwerking met [verzoekster] en zoals Shell heeft aangevoerd is voldoende aannemelijk dat een vertrouwensrelatie tussen [verzoekster] en [betrokkene 3] , zoals vereist voor een goede vervulling van de functie van [functie 2] , niet langer mogelijk is.
duurzame karaktervan de verstoring van de arbeidsverhouding (grotendeels) aan Shell is te wijten, staat in dit geval niet aan ontbinding op de g-grond in de weg. De bijzondere aard van de functie van [verzoekster] brengt mee dat ook bij meeweging van dit verwijt hier moet worden geconcludeerd dat van Shell in redelijkheid niet kan worden gevergd het dienstverband met [verzoekster] als (head) [functie 2] van [betrokkene 3] te laten voortduren (vgl. HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow), r.o. 3.3.2). Dit betekent dat de grieven 1, 2 en 4 in zoverre tevergeefs zijn voorgedragen. Het vorenstaande kan echter wel van invloed zijn op de door grief 4 verder nog opgeworpen vraag of aan [verzoekster] een billijke vergoeding toekomt wegens ernstig verwijtbaar handelen van Shell. Immers, uitgaande van de voorshands aannemelijke stelling dat [verzoekster] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld haar gedrag (en daarmee haar functioneren) te verbeteren, zou Shell een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt van de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst niet langer in stand kon blijven.
‘ [functie 7] ’) niet in een eerder stadium met haar in overleg is getreden om samen uit te kijken naar een passende functie op hetzelfde niveau.
NJ 2019,56).
‘EC level’waarop [verzoekster] werkzaam was. Reeds dit gegeven maakt herplaatsing op een gelijkwaardige functie een lastige opgave. Daarnaast brengt de bijzondere aard van de functie van [functie 2] naar het oordeel van het hof mee dat van Shell niet kon worden gevergd dat zij [verzoekster] simpelweg op een opengevallen [functie 2] -plek zou plaatsen. Shell mocht in redelijkheid verlangen dat [verzoekster] eerst een gesprek diende te hebben met een potentiële nieuwe leidinggevende en derhalve diende te solliciteren.
‘Executive Committee’) reeds eind oktober/begin november 2018 onder de aandacht van [verzoekster] gebracht. Dat zij dit eerst na aandringen van mr. Feenstra zou hebben gedaan, blijkt nergens uit. Naar [verzoekster] verder niet heeft weersproken, is zij hierna in elk geval ook nog op 17 december (2), 11 januari 2019 (1), 4 februari 2019 (1), 18 februari 2019 (1) op opengevallen [functie 2] -functies geattendeerd, terwijl [betrokkene 6] haar in elk geval op 25 maart 2019 er nog eens opmerkzaam heeft gemaakt dat één van deze vacatures nog steeds openstond. Dat [verzoekster] een deel van deze vacatures aan zich voorbij heeft laten gaan omdat zij het aanvankelijk niet eens was met de eis van Shell dat zij wel eerst op gesprek moest komen bij de potentiële leidinggevende en/of omdat zij aanvankelijk nog van mening was dat terugkeer in haar functie als [functie 2] van [betrokkene 3] nog mogelijk was, kan niet aan Shell worden tegengeworpen. Gelet op dit alles heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat Shell (alsnog) voldoende heeft gedaan om binnen een redelijke termijn tot herplaatsing te komen.
Beslissing
Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. C.A. Joustra op 9 december 2020 om 09.00 uur;