Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
16 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een megazaak rondom grootschalige hypotheekfraude waarbij de verdachte als mededirecteur van een vennootschap betrokken was bij het adviseren van klanten met financiële problemen om tweede huizen te kopen met behulp van valse documenten. De verdachte werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van witwassen en medeplegen van valsheid in geschrift.
Het cassatieberoep van de verdachte werd ingediend tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan twee jaren waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden naar 23 maanden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: De gevangenisstraf van 24 maanden wordt verminderd naar 23 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.