Conclusie
eerste middelklaagt ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 6. dat de bewezenverklaring van het oogmerk door het hof ontoereikend is gemotiveerd alsmede dat de bewijsconstructie ondeugdelijk is.
immers hebben verdachte en zijn mededaders in strijd met de waarheid in voornoemde brief met als onderwerp jaarrekening 2005 d.d. 28 april 2006 (D-1005) onder andere opgenomen: “Derhalve bevestigen wij dat de jaarrekening geen onjuistheden en/of onvolkomenheden van materieel belang bevat”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;’
tweede middelklaagt dat het hof het verzoek van de verdediging tot het horen van enkele getuigen heeft afgewezen aan de hand van het onjuiste (noodzaak)criterium, terwijl de afwijzing voorts onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.
De voorzitter deelt mede dat de behandeling van heden een regiekarakter draagt en dat de behandeling na bespreking van de onderzoekswensen onmiddellijk zal worden aangehouden.
De voorzitter maakt melding van de volgende nieuw binnengekomen stukken:
De advocaat-generaal draagt de strafzaak voor.
(…)
De verdediging wordt in de gelegenheid gesteld de onderzoekswensen toe te lichten en doet dit aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.
(…)
Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter als overwegingen van het hof mede dat op de terechtzitting van 2 september 2016 de - tijdig ingediende - onderzoekswensen van de verdediging niet zijn herhaald. De verdediging heeft vervolgens voorafgaand aan de terechtzitting van heden nieuwe onderzoekswensen ingediend. Dat brengt met zich dat het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is op alle gedane verzoeken. De voorzitter deelt vervolgens als beslissingen van het hof mede dat:
- het verzoek tot het als getuige doen horen van [betrokkene 5] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 10] en [betrokkene 11] wordt afgewezen nu de noodzaak daartoe niet is gebleken. Gelet op de uitgebreidheid van het dossier is het verhoor van deze getuigen niet noodzakelijk voor enig in het kader van de vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering door het hof te nemen beslissing; (…)’
(…)
2.47. Samengevat komt een en ander hierop neer dat ingeval een door de verdediging bij tijdig ingediende appelschriftuur opgegeven getuige ter terechtzitting niet is verschenen, het hof slechts dan gehouden is een beslissing te geven omtrent de (hernieuwde) oproeping van die getuige indien daartoe door of namens de verdachte ter terechtzitting een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek is gedaan. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is het verdedigingsbelang.’
derde middelklaagt dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door de verdediging in hoger beroep aangevoerde omstandigheid dat verdachte veel media-aandacht in verband met de zaak heeft gekregen, althans dat de strafmotivering van het hof in dit opzicht onvoldoende met redenen is omkleed.
" [verdachte] hield er een creatieve boekhouding op na, waarmee hij lange tijd financiers, fiscus en klanten om de tuin leidde.(...)"
"Het betekende dat [verdachte] , die voorheen het financiële management samen met rechterhand [medeverdachte] volledig voor zijn rekening nam, genoegen moest nemen met externe betrokkenen die inzage wilden in de boeken. Vanaf dat moment ging het fout. Accountants stuitten op dubieuze zaken. Ook de Hongaarse fiscus meldde zich. Om investeerders te paaien noteerde [verdachte] orders zowel in de Nederlandse als in de Hongaarse boekhouding, om zo de prestaties van het bedrijf rooskleuriger voor te stellen. "
"Een andere Nederlandse werknemer kreeg van [verdachte] zelf het signaal dat hij niet langer welkom was. Op een dag vond hij bij thuiskomst voor zijn huis in Boedapest verhuiswagens op de stoep. Ingehuurd door [verdachte] . De hardhandige boodschap kwam over: hij wist te veel en liep [verdachte] in de weg. " "In juli dit jaar viel voor [verdachte] het doek. Huisbankier Rabobank, aandeelhouder Bencis en medefinancier Fortis-bank eisten zijn vertrek.
Waar hij nu is weet niemand. In zijn penthouse aan de Donau in Boedapest? In zijn huis in Montecarlo? [verdachte] dreef al die jaren op hoogmoed en bluf, daarover is iedereen het eens."(voetnoot 1: NRC, 30 oktober 2007, https://www.nrc.nl/nieuws/ […]
)
vierde middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
bij de Hoge Raad der Nederlanden