Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake diefstal van een buitenboordmotor en aanverwante zaken. Het hof had de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van liggeldkosten over de periode dat de motor ontbrak toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat de liggeldkosten als rechtstreekse schade van de diefstal kunnen worden aangemerkt niet zonder meer begrijpelijk is. Het hof heeft niet vastgesteld waarom deze kosten tevergeefs zijn gemaakt, terwijl het verband tussen de diefstal en de liggeldkosten onvoldoende is onderbouwd. Hierdoor kan ook de opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het overige beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het arrest wordt gedeeltelijk vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de schadevordering en schadevergoedingsmaatregel.