Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede en het derde middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beoordeling van het vierde middel
5. Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake medeplegen van gewoontewitwassen en het zonder vereiste registratie werkzaam zijn als geldtransactiekantoor. Het hof had bewijsvoering deels gebaseerd op een uittreksel uit justitiële documentatie dat niet volledig was voorgelezen, en er was discussie over de wetenschap van het criminele karakter van de geldbedragen.
De Hoge Raad oordeelde ambtshalve dat het feit van het zonder vereiste registratie werkzaam zijn als geldtransactiekantoor was verjaard, omdat de strafvordering hiervoor op 18 april 2019 volledig was vervallen. Dit leidde tot vernietiging van het arrest voor dat onderdeel en niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging.
De zaak werd terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de strafoplegging, terwijl het overige beroep van de verdachte werd verworpen. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het belang van correcte bewijsvoering en de toepassing van verjaringsregels bij strafzaken over witwassen en financiële delicten.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van Schendel, met raadsheren Buruma en van Strien, op 23 april 2019.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart OvJ niet-ontvankelijk wegens verjaring en wijst zaak terug voor hernieuwde strafoplegging.